Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4569

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
26-11-2009
Zaaknummer
08-1900 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering (15 tot 25%). Zorgvuldig medisch onderzoek. Terecht is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te concluderen dat de medische beperkingen die door de primaire arts bij appellant zijn vastgesteld en door bezwaarverzekeringsarts zijn bevestigd, onjuist zijn. De rechtbank is van oordeel dat de bevindingen van de (bezwaarverzekerings)artsen van het Uwv niet strijdig zijn met het beeld dat uit de informatie van de behandelende sector naar voren komt. De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank. De Raad kan in de in beroep en in hoger beroep overgelegde verklaring van Heilpraktiker Brinkmann over de rugklachten van appellant geen aanwijzing lezen dat de beperkingen voor het verrichten van arbeid op de datum die in dit geding van belang is onjuist zijn vastgesteld. Hetzelfde geldt voor de brief van 1 december 2007 van de appellant behandelend psychiater W. Vrolijk, de verwijzingsbrief van de huisarts M.H. Voordijk van 21 december 2007, de verklaring van de arts P.M. de Planque van 8 mei 2008 en van de verzekeringsarts A.W.A. Elemans van 23 juni 2008. De Raad is verder van oordeel dat de in bezwaar aan appellant voorgehouden voorbeeldfuncties in medisch opzicht geschikt voor hem zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1900 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 21 februari 2008, 07/312 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld en zijn nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2009. Appellant is verschenen met bijstand van mr. D.J.H. Habers, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Gerritsen.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan appellant was een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend welke uitkering laatstelijk was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2. Bij besluit van 29 juni 2006 is aan appellant meegedeeld dat zijn uitkering op grond van de WAO met ingang van 30 augustus 2006 wordt ingetrokken omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is. Na gemaakt bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 12 februari 2007 de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van 30 augustus 2006 ongewijzigd vastgesteld op 80 tot 100% en met ingang van 9 maart 2007 op 15 tot 25%. Aan zowel het besluit van 29 juni 2006 als dat van 12 februari 2007 (bestreden besluit) ligt een (verzekerings)geneeskundig en arbeidskundig onderzoek ten grondslag.

2.1. In de fase van de zogenoemde primaire besluitvorming heeft R. Moed, arts in dienst van het Uwv, op 11 april 2006 en 31 mei 2006 rapport uitgebracht. Hij is tot de conclusie gekomen dat er sprake is van een ziekte of gebrek. Appellant heeft beperkingen op het persoonlijke, sociale en medische vlak. Moed acht appellant geschikt voor fysiek niet al te zwaar en mentaal niet te belastende arbeid. Op basis van deze conclusie is een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), gedateerd 11 april 2006, opgesteld. Er is volgens deze arts geen reden om een urenbeperking op te nemen.

Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige C.W. van de Rhee met behulp van het Claimbeoordeling- en Borgingssysteem (CBBS) voorbeeldfuncties geselecteerd hetgeen heeft geleid tot de vaststelling dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

2.2. Naar aanleiding van appellants bezwaarschrift heeft een heronderzoek plaatsgevonden door de bezwaarverzekeringsarts E. Khoe. Khoe heeft een dossieronderzoek gedaan en een oriƫnterend psychiatrisch onderzoek verricht. Daarnaast is aanvullende informatie opgevraagd bij de revalidatiearts van appellant, C.G.M. Warmerdam. De resultaten van de beoordeling zijn neergelegd in een verzekeringsgeneeskundig rapport van 18 december 2006. Khoe kan zich volgens dat rapport verenigen met de FML van 11 april 2006.

Vervolgens is een heronderzoek verricht door de bezwaararbeidsdeskundige M.F. van Wijngaarden. De bevindingen van deze bezwaararbeidsdeskundige zijn neergelegd in een rapport van 3 januari 2007. Vervolgens heeft appellant ingebracht dat bij het vaststellen van zijn belastbaarheid in onvoldoende mate rekening is gehouden met de scheefstand van het bekken en de verkromming van de wervelkolom. Voorts is er volgens appellant ten onrechte van een afname van beperkingen op het psychische vlak uitgegaan. Bezwaarverzekeringsarts Khoe heeft in een rapport van 7 februari 2007 gemotiveerd vermeld dat hij in de door appellant nader aangevoerde bezwaren geen aanleiding ziet om met meer beperkingen rekening te houden op het lichamelijke of psychische vlak. De beperkingen zoals verwoord op de FML van 11 april 2006 kunnen volgens deze bezwaarverzekeringsarts gehandhaafd blijven.

Uitgaande van de in bezwaar bevestigde belastbaarheid van appellant acht Van Wijngaarden de primair voor appellant geselecteerde functies, gelet op zijn opleidingsniveau, arbeidservaring en belastbaarheid niet geschikt, omdat bij deze functies sprake is van structurele nachtarbeid, terwijl appellant voor uitval van zijn werkzaamheden in de dagdienst werkte. Van Wijngaarden heeft daarom aan de hand van het CBBS vier andere functies geselecteerd, te weten controleur metaal producten (sbc-code 264150), elektromonteur (sterkstroom, sbc-code 267010), productiemedewerker textiel (geen kleding, sbc-code 272043) en productiemedewerker industrie, samenstellen van producten (sbc-code 111180). Op basis van die geselecteerde functies is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 15 tot 25%.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. In eerste aanleg en in hoger beroep heeft appellant in de kern gelijkluidende gronden aangevoerd. Hij heeft betoogd dat zijn beperkingen voor het verrichten van arbeid door het Uwv zijn onderschat. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij lage rugpijn ondervindt met uitstraling naar het rechterbeen. Omdat deze klachten persisteren is hij wederom doorverwezen naar het revalidatiecentrum Het Roessingh. Een Heilpraktiker in Duitsland, G. Brinkmann, heeft in februari 2007 volgens appellant bij hem in de onderrug een hernia en ischialgie geconstateerd, zoals blijkt uit een verklaring van 5 februari 2007. Verder ervaart appellant depressieve klachten als gevolg van zijn verleden in Bosniƫ en de vuurwerkramp in [woonplaats]. De behandeling bij Het Roessingh is niet succesvol geweest. Ten slotte vermeldt appellant dat hij maagklachten heeft.

5. Het oordeel van de Raad.

5.1. De rechtbank heeft terecht appellants betoog verworpen dat het medisch onderzoek onvoldoende of onzorgvuldig is geweest, omdat in de FML onvoldoende rekening wordt gehouden met zijn beperkingen. De rechtbank heeft met juistheid in aanmerking genomen dat de arts Moed een anamnese heeft afgenomen en een dossierstudie heeft verricht. Daarnaast heeft hij de beperkingen van appellant vastgesteld op basis van algemeen en gericht lichamelijk en psychisch onderzoek. De bezwaarverzekeringsarts heeft zijn oordeel gevormd op basis van zijn eigen onderzoek, alle in het dossier aanwezige informatie, de onderzoeksbevindingen van de primaire arts en de in bezwaar ontvangen informatie van de revalidatieartsen van Het Roessingh. Terecht is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te concluderen dat de medische beperkingen die door de primaire arts bij appellant zijn vastgesteld en door bezwaarverzekeringsarts zijn bevestigd, onjuist zijn. De rechtbank is van oordeel dat de bevindingen van de (bezwaarverzekerings)artsen van het Uwv niet strijdig zijn met het beeld dat uit de informatie van de behandelende sector naar voren komt. De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank.

5.2. De Raad kan in de in beroep en in hoger beroep overgelegde verklaring van Heilpraktiker Brinkmann over de rugklachten van appellant geen aanwijzing lezen dat de beperkingen voor het verrichten van arbeid op de datum die in dit geding van belang is onjuist zijn vastgesteld. Hetzelfde geldt voor de brief van 1 december 2007 van de appellant behandelend psychiater W. Vrolijk, de verwijzingsbrief van de huisarts M.H. Voordijk van 21 december 2007, de verklaring van de arts P.M. de Planque van 8 mei 2008 en van de verzekeringsarts A.W.A. Elemans van 23 juni 2008.

5.3. Met de rechtbank, en op de gronden die de rechtbank aan haar overweging dienaangaande ten grondslag heeft gelegd, is de Raad verder van oordeel dat de in bezwaar aan appellant voorgehouden voorbeeldfuncties in medisch opzicht geschikt voor hem zijn.

5.4. De Raad komt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is, uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.R.A. van Raaij.

IvR