Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4515

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
26-11-2009
Zaaknummer
09-1154 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Terugvordering. Gezamenlijke huishouding. Betrokkene heeft tegen besluiten inzake medeterugvordering geen bezwaar gemaakt. Dat betekent dat het College niet bevoegd was die besluiten na heroverweging, alsof er bezwaar was gemaakt, te handhaven. De brief van 29 september 2006 betreft een aankondiging van de terugvordering, dat wil zeggen een mededeling van informatieve aard. Geen besluit. Niet-ontvankelijk verklaring van het hiertegen ingestelde beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/1154 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 januari 2009, 07/3977 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 24 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het geding is, gevoegd met de zaak 08/5521 WWB ten name van [Z.], behandeld ter zitting van 1 september 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A.A. Hitipeuw-Naber, werkzaam bij de gemeente Amstelveen. Betrokkene is verschenen, met bijstand van mr. J.A. van den Berg, advocaat te Amsterdam. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 12 april 2006 heeft appellant de bijstand van [Z.] met ingang van 21 juni 2004 ingetrokken op de grond dat zij, zonder daarvan bij appellant melding te hebben gemaakt, een gezamenlijke huishouding voert met betrokkene. Voorts is [Z.] meegedeeld dat er zal worden teruggevorderd en dat zij daaromtrent nader bericht met het precieze bedrag van de terugvordering zal ontvangen. Tegen dit besluit heeft betrokkene geen bezwaar gemaakt.

1.2. Bij besluit van 28 april 2006 heeft appellant de kosten van de over de periode van 21 juni 2004 tot 1 maart 2006 aan [Z.] verleende bijstand tot een bedrag van € 22.811,40 met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) van [Z.] en met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB mede van betrokkene teruggevorderd. Tegen dit besluit heeft betrokkene evenmin bezwaar gemaakt.

1.3. Bij brief van 29 september 2006 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat de bijstand van [Z.] met ingang 21 juni 2004 is ingetrokken en dat de kosten van de over de periode van 21 juni 2004 tot 1 maart 2006 aan [Z.] verleende bijstand mede van hem zullen worden teruggevorderd en dat hij daaromtrent nader bericht met het precieze bedrag zal ontvangen. Tegen deze brief heeft betrokkene wel bezwaar gemaakt.

1.4. Bij besluit van 11 september 2007 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat is besloten de bezwaren tegen de medeterugvordering van betrokkene van de kosten van de aan [Z.] verleende bijstand ongegrond te verklaren en de door appellant als besluit aangeduide brief van 29 september 2006 alsmede de besluiten van 12 en 28 april 2006 voor zover deze zien op de medeterugvordering te handhaven. Daaraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat [Z.] met betrokkene een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB en dat [Z.] daarvan bij appellant geen melding heeft gemaakt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen inzake griffiegeld en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 11 september 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar gegrond verklaard en de door haar als het primaire besluit aangeduide brief van 29 september 2006 herroepen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat er geen grondslag bestaat voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB en het besluit van 11 september 2007 daarom ondeugdelijk is gemotiveerd.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat appellant bij het besluit van 11 september 2007 de besluiten van 12 en 28 april 2006 voor zover deze betrekking hebben op de medeterugvordering van betrokkene van de kosten van de aan [Z.] verleende bijstand heeft gehandhaafd. Betrokkene heeft tegen deze besluiten echter geen bezwaar gemaakt. Dat betekent dat appellant niet bevoegd was die besluiten na heroverweging, alsof er bezwaar was gemaakt, te handhaven. Het besluit van 11 september 2007 komt derhalve wegens onbevoegdheid van appellant voor vernietiging in aanmerking voor zover daarbij de besluiten van 12 en 28 april 2006 zijn gehandhaafd.

4.2. De Raad stelt verder vast dat appellant er bij het besluit van 11 september 2007 van is uitgegaan dat de brief van 29 september 2006 een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) behelsde. Dat uitgangspunt acht de Raad niet juist. In genoemde brief deelt appellant betrokkene mee dat de bijstand van [Z.] met ingang van 21 juni 2004 is ingetrokken en de kosten van de aan [Z.] over de periode van 21 juni 2004 tot 1 maart 2006 verleende bijstand mede van hem worden teruggevorderd. Wat betreft de intrekking van de aan [Z.] verleende bijstand is deze brief slechts een herhaling van het besluit van 12 april 2006 en roept zij geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven. Ook ten aanzien van de terugvordering roept de brief van 29 september 2006 geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven. In aanmerking genomen dat, gelet op artikel 60, eerste lid, van de WWB, het terug te vorderen bedrag een essentieel onderdeel is van een besluit tot terugvordering, betreft het hier een aankondiging van de terugvordering, dat wil zeggen een mededeling van informatieve aard. De brief van 29 september 2006 kan, gelet op het voorgaande, niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb worden aangemerkt. Dat betekent dat het besluit van 11 september 2007 ook voor vernietiging in aanmerking komt, voor zover daarbij is beslist op het bezwaar tegen de brief van

29 september 2006.

4.3. De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 is overwogen, zij het op andere gronden, terecht - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - overgegaan tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het besluit van 11 september 2007. Wel ziet de Raad aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen voor zover daarbij het bezwaar gegrond is verklaard en de door de rechtbank als het primaire besluit aangeduide brief van 29 september 2006 is herroepen. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het bezwaar tegen de brief van 29 september 2006 niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien die brief niet kan worden aangemerkt als een voor bezwaar vatbaar besluit.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Rechtdoende;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het bezwaar gegrond is verklaard en de door de rechtbank als het primaire besluit aangeduide brief van 29 september 2006 is herroepen;

Verklaart het bezwaar tegen de brief van 29 september 2006 niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en O.L.H.W.I. Korte als leden in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R.L.G. Boot.

mm