Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4511

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
26-11-2009
Zaaknummer
08-6309 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld: niet meer ongeschikt geacht voor het verrichten van haar arbeid. De Raad ziet geen aanleiding hetgeen de bva heeft vermeld in de aanvullende rapportage voor onjuist te houden. In dit verband merkt de Raad voorts op dat niet aannemelijk is gemaakt dat de psychiater appellante persoonlijk heeft onderzocht. Tevens hecht de Raad belang aan de constatering van de bva dat vier onderzoekers die eerder (...) geen van allen met betrekking tot de datum in geding een PTTS of een depressie hebben geconstateerd. Uit het rapport van de psychiater kan niet worden afgeleid dat hij onomwonden enige diagnose stelt met betrekking tot die datum, zijn conclusie bevat een veronderstelling. De Raad onderschrijft voorts het standpunt van de bva dat zelfs al zouden de diagnoses als door de psychiater aangeduid worden gevolgd, dan nog is niet aannemelijk gemaakt dat appellante op 24 juli 2006 vanwege medisch objectiveerbare beperkingen niet in staat was haar arbeid te verrichten. In dit kader kan nog worden gesignaleerd dat in geen van de hier van belang zijnde functies sprake is van een relevante psychische belasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6309 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 september 2008, 07/3608 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.D. Pietersz, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, vergezeld van de aanvullende rapportage van bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel van 15 december 2008.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2009. Appellante is verschenen met haar advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de overwegingen 2.1, 2.2 en 2.3 uit de aangevallen uitspraak.

1.2. In aanvulling daarop merkt de Raad het volgende op. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 juli 2007, nummer 06/4422, heeft het Uwv wederom beslist op het bezwaar van appellante gericht tegen het besluit van 24 juli 2006. Bij dat besluit is appellante per die datum niet meer ongeschikt geacht voor het verrichten van haar arbeid als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet (ZW) en om die reden is haar recht op ziekengeld toen beëindigd. Bij evenbedoeld besluit op bezwaar, gedateerd 23 november 2007 (hierna: bestreden besluit), heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

1.3. In de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat niet is komen vast te staan dat appellante op 24 juli 2006, de datum in geding, verdere beperkingen had dan op 10 maart 2006, de datum met ingang waarvan haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeids-ongeschiktheidsverzekering (WAO) was ingetrokken. Tevens is overwogen dat appellante op de datum in geding in staat was te achten de functies productie-medewerkster textiel en productiemedewerkster industrie, die haar in het kader van de WAO-besluitvorming waren voorgehouden, te verrichten.

2. Appellante heeft - kort samengevat - in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv haar per 24 juli 2006 ten onrechte geschikt heeft geacht om haar arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW te verrichten. Daarbij heeft zij erop gewezen naast rugklachten ook psychische klachten te hebben en dat bij het nemen van het bestreden besluit met name met deze laatste klachten onvoldoende rekening is gehouden. In dit verband heeft zij bij brief van 17 juli 2009 het rapport van de psychiater drs. B.H.M.J. Sonnenschein van 14 juli 2009 overgelegd. Deze psychiater heeft in antwoord op vragen van de gemachtigde van appellante onder andere naar voren gebracht dat bij appellante vanaf 2003 klachten van een posttraumatisch stresssyndroom (PTSS; door hem aangeduid als: PTSD) bestaan en derhalve ook rond juli 2006. Vanaf grofweg 2004 waren er ook verschijnselen van een depressie die eveneens rond juli 2006 kunnen worden gesitueerd. Naar de mening van Sonnenschein heeft appellante haar psychische klachten ter zake niet eerder ingebracht omdat deze als een trigger zouden werken voor haar ernstige posttraumatische stresssymptomen. De betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen en psychiater drs. J. van Trier hadden daar echter zelf naar dienen te vragen. Sonnenschein heeft als zijn mening te kennen gegeven dat de symptomen van PTSD en depressie al vóór 2006 en in 2006 duidelijk aanwezig kunnen worden verondersteld.

3. Het Uwv heeft vervolgens de aanvullende rapportage van bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel van 23 juli 2009 ingebracht. Deze heeft, naar aanleiding van de opmerkingen van psychiater Sonnenschein dat appellante in 2003 is getriggerd en nadien “meteen” een PTSD ontwikkelde en ook decompenseerde met een chronische depressie, gesteld dat dit niet overeenkomt met de feiten zoals die uit het dossier naar voren komen.

4.1. De Raad ziet geen aanleiding hetgeen de bezwaarverzekeringsarts heeft vermeld in de aanvullende rapportage voor onjuist te houden. In dit verband merkt de Raad voorts op dat niet aannemelijk is gemaakt dat Sonnenschein appellante persoonlijk heeft onderzocht. Tevens hecht de Raad belang aan de constatering van de bezwaarverzekeringsarts dat vier onderzoekers die eerder, na onderzoek over appellante hebben gerapporteerd - met name de bezwaarverzekeringsarts T.E. Greven, de behandelaars van appellante, te weten de klinisch psycholoog/psychotherapeut C.E. Flik en de psychiater J. van Trier - geen van allen met betrekking tot de datum in geding een PTTS of een depressie hebben geconstateerd. Uit het rapport van Sonnenschein kan niet worden afgeleid dat hij onomwonden enige diagnose stelt met betrekking tot die datum, zijn conclusie bevat een veronderstelling. De Raad onderschrijft voorts het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat zelfs al zouden de diagnoses als door Sonnenschein aangeduid worden gevolgd, dan nog is niet aannemelijk gemaakt dat appellante op 24 juli 2006 vanwege medisch objectiveerbare beperkingen niet in staat was haar arbeid te verrichten. In dit kader kan nog worden gesignaleerd dat in geen van de hier van belang zijnde functies sprake is van een relevante psychische belasting.

4.2. De Raad stelt dan ook vast dat appellante geen medische informatie heeft overgelegd die doet twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. Naar het oordeel van de Raad is in het onderhavige geval voorts geen sprake van een strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel die tot een vernietiging van het bestreden besluit zou moeten leiden. In het beschikbare dossier zijn voldoende gegevens aanwezig op basis waarvan tot een verantwoord oordeel kan worden gekomen. Hetgeen van de zijde van appellante is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht. Het feit dat appellante vanaf haar ziekmelding per 20 april 2006 tot 23 juli 2006 ziekengeld heeft ontvangen is blijkens de ter zake gegeven toelichting van het Uwv enkel gebaseerd op zorgvuldigheidsoverwegingen en vindt niet zijn grondslag in eerdere, tot een andere conclusie aanleiding gevende medische informatie.

4.3. Uit de overwegingen 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en P.J. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.M. Tason Avila.

TM