Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4508

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
26-11-2009
Zaaknummer
07-2031 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Rechtbank vernietigt besluit. De rechtbank is afgeweken van het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige. Uwv in hoger beroep. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd, tenzij sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden die nopen tot het aanvaarden van een uitzondering op die regel. De Raad ziet, anders dan de rechtbank, geen aanleiding om in het onderhavige geval af te wijken van dit beginsel. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de deskundige een volledig en zorgvuldig onderzoek heeft verricht. Nu de deskundige zich verenigt met de FML en heeft aangegeven dat de geduide functies niet zwaar rugbelastend zijn, is de Raad van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen voor betrokkene in medisch opzicht als passend dienen te worden aangemerkt. Vernietiging aangevallen uitspraak en ongegrondverklaring beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/2031 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 27 februari 2007, 05/234 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 25 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.B.M. de Rooij, juridisch medewerker bij NU, 91 te Utrecht, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Nederveen. Betrokkene is verschenen en bijgestaan door mr. M. Vetkamp, advocaat te Soest.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene ontvangt sedert 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is betrokkene op 19 maart 2004 gezien door een verzekeringsarts, die betrokkene belastbaar achtte volgens de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van dezelfde datum. Aan de hand hiervan heeft de arbeidsdeskundige met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem functies geselecteerd en het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 29,54%. Bij besluit van 22 juni 2004 heeft appellant de WAO-uitkering van betrokkene per 4 augustus 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij besluit van 14 december 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van

22 juni 2004 ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft ten behoeve van haar oordeelsvorming de revalidatie-arts W.C.G. Blanken als deskundige geraadpleegd. Deze deskundige heeft op 13 april 2006, en aanvullend op 15 mei 2006 en 27 oktober 2006, aan de rechtbank gerapporteerd.

De rechtbank heeft blijkens de aangevallen uitspraak aanleiding gezien om het oordeel van de deskundige Blanken niet in alle opzichten te volgen. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Afgaande op de verklaringen van betrokkene zelf en de gegevens van de behandelende artsen, acht de rechtbank het aannemelijk dat de medische toestand van betrokkene op het moment waarop de deskundige zijn onderzoek verrichtte, namelijk januari 2006, wezenlijk verbeterd was ten opzichte van de toestand van betrokkene in augustus 2004. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit niets dat de deskundige bij zijn onderzoek en verslaglegging aan het tijdsverloop aandacht heeft besteed. De rechtbank kan de conclusie van de deskundige in zoverre niet volgen dat zijn bevindingen omtrent de medische toestand van betrokkene in januari 2006 ook opgaan voor augustus 2004.

De rechtbank heeft de deskundige evenmin gevolgd in zijn betoog dat een urenbeperking niet kan worden aangenomen om reden dat deze niet strookt met de criteria genoemd in de Standaard Verminderde Arbeidsduur. De rechtbank verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Raad van 10 november 2006, LJN AZ2814, waarin is verwoord dat een bestuursrechter bij zijn vaststelling van de feiten niet is gebonden aan die Standaard en die gebondenheid evenmin geldt voor een deskundige. De rechtbank acht op de datum in geding, gelet op de rapporten van de behandelaars en de mededeling van betrokkene zelf, een lagere functiebelasting reƫler, hetgeen volgens de rechtbank aanleiding is om vanuit een preventief oogpunt per datum in geding een urenbeperking aan te nemen.

2.2. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd, met de opdracht aan appellant om met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

3. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit op een onvoldoende medische grondslag berust. Met het rapport van de bezwaarverzekeringsarts A.M.M. Moons van 30 maart 2007 heeft appellant gemotiveerd waarom er geen aanleiding is om het oordeel van de deskundige Blanken niet te volgen.

4. Betrokkene heeft zich in verweer gesteld achter het oordeel van de rechtbank. Tevens heeft betrokkene gereageerd op het in hoger beroep door appellant overgelegde rapport van bezwaarverzekeringsarts Moons van 30 maart 2007.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd, tenzij sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden die nopen tot het aanvaarden van een uitzondering op die regel.

5.3. De Raad ziet, anders dan de rechtbank, geen aanleiding om in het onderhavige geval af te wijken van dit beginsel. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat deskundige Blanken een volledig en zorgvuldig onderzoek heeft verricht. De deskundige heeft een anamnese afgenomen, betrokkene onderzocht en heeft voorts kennis genomen van de in het dossier aanwezige medische informatie. In zijn aanvullende rapportage van 27 oktober 2006 heeft Blanken op inzichtelijke wijze uiteengezet dat hij in de reactie van betrokkene, het telefonisch overleg met de behandelend revalidatie-arts Starmans en diens nadere ontvangen informatie, geen reden heeft gezien om tot een ander standpunt te komen. De Raad ziet gelet op deze nadere uiteenzetting, waarbij de deskundige zijn conclusie serieus heeft heroverwogen en gemotiveerd heeft gehandhaafd, geen reden om die conclusie niet te volgen. De Raad kan de rechtbank niet volgen in haar oordeel dat Blanken geen aandacht heeft besteed aan het tijdsverloop tussen augustus 2004 en januari 2006. In zijn rapport van 13 april 2006 heeft Blanken opgemerkt dat het klachtenpatroon in genoemde periode in essentie hetzelfde is gebleven, terwijl hij in zijn nadere reactie van 27 oktober 2006 heeft toegelicht dat er geen reden is om ten aanzien van de datum die ter beoordeling staat tot een andere diagnose te komen dan ten tijde van zijn onderzoek. Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat Blanken zijn oordeel over het al dan niet aannemen van een urenbeperking heeft gebaseerd op de enkele stelling dat niet wordt voldaan aan de criteria van de Standaard Verminderde Arbeidsduur. Blanken heeft in zijn rapportages immers op inhoudelijke gronden beargumenteerd waarom geen urenbeperking behoeft te worden opgelegd, waarbij er

met name op is gewezen dat geen sprake is van een ziektebeeld dat energetische tekorten meebrengt.

5.4. Nu de deskundige Blanken zich heeft kunnen verenigen met de in de FML opgenomen beperkingen en heeft aangegeven dat de geduide functies niet zwaar rugbelastend zijn, is de Raad van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen voor betrokkene in medisch opzicht als passend dienen te worden aangemerkt.

5.5. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.M. Tason Avila.

IvR