Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4507

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
26-11-2009
Zaaknummer
09-4439 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Rechtbank heeft besluit vernietigd. Uwv heeft hoger beroep ingesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft gelet op de overige onderzoeksgegevens, voldoende overtuigend gemotiveerd dat via de vastgestelde urenbeperking voldoende rekening is gehouden met de door ziekte veroorzaakte vermoeidheidsklachten. Geen twijfel dat betrokkene met zijn in de FML opgenomen beperkingen in staat moet worden geacht de hem geduide functies uit te oefenen. Vernietiging aangevallen uitspraak en ongegrondverklaring beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4439 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juli 2009, 08/345 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 25 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. D. Maats, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend en de Raad verzocht de zaak versneld te behandelen.

De Raad heeft met dat verzoek ingestemd en het tijdstip meegedeeld waarop de zitting zal plaatsvinden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.F. Sitvast. Voor betrokkene is mr. Maats verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene was werkzaam als parkeercontroleur/toezichthouder en heeft die werkzaamheden op 1 maart 1999 gestaakt als gevolg van diverse klachten, nadat hij HIV-positief was getest. Appellant heeft aan betrokkene een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling heeft appellant bij besluit van 12 juli 2007 die uitkering van betrokkene per 13 september 2007 herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 55 tot 65%. Bij besluit van 12 december 2007 zijn de bezwaren van betrokkene tegen dit besluit gegrond verklaard, is zijn WAO-uitkering per 13 september 2007 voortgezet naar de klasse 65 tot 80% en vervolgens per 23 januari 2008 herzien naar de klasse 55 tot 65%. Aan de herziening van de uitkering ligt ten grondslag dat betrokkene weer in staat wordt geacht om met zijn mogelijkheden en beperkingen in voor hem geschikte gangbare functies een zodanig inkomen te verwerven, dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar ongeveer 63%.

2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het besluit van 12 december 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank is van oordeel dat betrokkene met twee brieven van de hem behandelende internist E. van Gorp voldoende heeft aangetoond dat hij extreem vermoeid is en dat deze vermoeidheid meestal drie tot zeven dagen aanhoudt. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de moeheid wisselend optreedt, maar ook dat betrokkene hierdoor tenminste een tot twee weken per maand tot niets in staat is. De rechtbank is daarom van oordeel dat de voor betrokkene door de bezwaarverzekeringsarts geformuleerde medische urenbeperking van maximaal 20 uur per week en vier uur per dag niet volstaat omdat niet inzichtelijk is hoe betrokkene, als hij een periode van extreme vermoeidheid doormaakt, in staat is om vijf dagen in de week vier uur per dag te werken.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en heeft ter onderbouwing een tweetal rapportages overgelegd van de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek.

3.2. Betrokkene heeft zich achter de aangevallen uitspraak geschaard.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevochten het oordeel van de rechtbank, dat de herziening van de WAO-uitkering van betrokkene per 23 januari 2008 niet berust op een zorgvuldig voorbereide en deugdelijk gemotiveerde medische grondslag.

4.2. Appellant heeft gesteld dat met de vermoeidheidsklachten van betrokkene voldoende rekening is gehouden door het in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opnemen van een urenbeperking, inhoudende dat betrokkene gemiddeld ongeveer 4 uur per dag en 20 uur per week kan werken. Betrokkene heeft dit bestreden onder verwijzing naar de beide brieven van zijn internist en naar het door hem in de beroepsfase overgelegde rapport van de verzekeringsarts W.M. van der Boog, medisch adviseur van de gemachtigde van betrokkene, die na dossieronderzoek heeft geconcludeerd dat de door betrokkene geuite moeheidsklachten zijn geobjectiveerd.

4.3. De Raad constateert dat de verzekeringsartsen betrokkene vanaf de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid in genoemde zin beperkt hebben geacht in zijn arbeidsmogelijkheden. De verzekeringsarts die betrokkene in mei 2007 op het spreekuur heeft gezien, vermeldt in zijn rapportage dat betrokkene extreem vermoeid is tengevolge van zijn chronische ziekte en continueert de genoemde urenbeperking.

4.4. De bezwaarverzekeringsarts heeft betrokkene gezien en gesproken op de hoorzitting en had bij haar beoordeling de beschikking over de twee genoemde brieven van de betrokkene behandelende internist Van Gorp. Uit diens brief van 25 oktober 2007 komt naar voren dat betrokkene geen bijwerkingen ondervindt van de specifieke medicijnen die hij op dat moment gebruikt. Van Gorp noteert dat de extreme vermoeidheid wel een belangrijk probleem is, wat betrokkene in ernstige mate belemmert in zijn dagelijkse functioneren en wat vaker wordt gezien bij een HIV-infectie. Uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat betrokkene haar heeft verteld dat zijn moeheid enkele dagen aanhoudt en een tot twee keer per maand voorkomt, in welke periode hij tot niets komt. Hij heeft ook aangegeven dat er geen relatie is met de medicatie of de medische afwijkingen en dat ook de specialist niet kan aangeven wat de oorzaak is. De bezwaarverzekeringsarts concludeert in haar beschouwing dat het standpunt van betrokkene dat hij ongeveer de helft van de maand niet kan werken niet kan worden gevolgd en dat de beperking tot halve dagen werken kan worden gehandhaafd. De bezwaarverzekeringsarts meent dat dit ook wordt bevestigd door het dagverhaal van betrokkene en door de observaties van de verzekeringsarts die betrokkene op het spreekuur in mei 2007 heeft onderzocht.

4.5. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel, dat de (bezwaar)verzekeringsartsen op zorgvuldige wijze bij het vaststellen van de urenbeperking van betrokkene rekening hebben gehouden met zijn vermoeidheidsklachten, zoals deze naar voren komen uit zijn eigen uitingen, het verrichte onderzoek en de informatie van de hem behandelende internist. De Raad kan de bezwaarverzekeringsarts volgen in haar opvatting dat uit de informatie van de internist niet naar voren komt, dat deze van mening is dat betrokkene als gevolg van uit zijn ziekte voortvloeiende vermoeidheidsklachten meerdere periodes per maand een aantal dagen niet in staat is om lichte werkzaamheden te verrichten. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts gelet op de overige onderzoeksgegevens, voldoende overtuigend gemotiveerd dat via de vastgestelde urenbeperking voldoende rekening is gehouden met de door ziekte veroorzaakte vermoeidheidsklachten van betrokkene.

5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

6.1. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad overgaan tot het beoordelen van het beroep van betrokkene tegen de herziening van zijn WAO-uitkering per 23 januari 2008.

6.2. Betrokkene is van mening dat ook zijn psychische klachten zijn onderschat en heeft ter onderbouwing verwezen naar het rapport van medisch adviseur Van der Boog. De Raad constateert dat in de FML in de rubrieken Persoonlijk en Sociaal functioneren na onderzoek ter zake door de verzekeringsarts beperkingen voor betrokkene zijn opgenomen die samenhangen met zijn psychische klachten. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts voldoende overtuigend gemotiveerd dat de betreffende klachten van betrokkene niet ernstig van aard zijn, onder meer nu geen sprake is van een ernstige psychiatrische stoornis en dat aldus voldoende met de klachten van betrokkene rekening is gehouden. Met de bezwaarverzekeringsarts meent de Raad dat het alleen op dossieronderzoek gebaseerd rapport van Van der Boog hier onvoldoende aan kan afdoen mede nu diens visie niet is gebaseerd op eigen onderzoek van betrokkene noch op informatie van artsen die betrokkene voor zijn psychische klachten hebben behandeld.

6.3. Gelet op de overwegingen 4.4 en 6.2 bestaat naar het oordeel van de Raad geen reden voor een onderzoek door een deskundige.

6.4. Gezien ook het betoog van de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 19 november 2007, bestaat voor de Raad geen twijfel dat betrokkene met zijn in de FML opgenomen beperkingen in staat moet worden geacht de hem geduide functies uit te oefenen.

6.5. Nu verder namens betrokkene geen gronden zijn aangevoerd die de arbeidskundige onderbouwing van de herziening van zijn WAO-uitkering betreffen, concludeert de Raad dat appellant de uitkering van betrokkene terecht per 23 januari 2008 heeft herzien naar de klasse 55 tot 65%.

7. Het beroep van betrokkene tegen het besluit van 12 december 2007 is daarom ongegrond.

8. Er is geen aanleiding om een van de partijen te veroordelen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 12 december 2007 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter, en T. Hoogenboom en A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL