Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4505

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-11-2009
Datum publicatie
26-11-2009
Zaaknummer
08-5 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking (volledige) WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat uit het rapport van Offermans niet volgt dat de bezwaarverzekeringsarts de belastbaarheid van appellant op de datum in geding heeft overschat. Tjen heeft naar het oordeel van de Raad in zijn rapportage afdoende uiteengezet dat de beperkingen van appellant in de door hem aangepaste FML toereikend zijn. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/5 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 21 november 2007, 07/930 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.E. de Hoop, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te

’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2009. Appellant en zijn gemachtigde zijn – met voorafgaand bericht – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 26 mei 1983 een motorongeval overkomen als gevolg waarvan hij zich ziek heeft gemeld. Het Uwv heeft aan appellant een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 12 februari 2007 heeft het Uwv onder andere de WAO-uitkering met ingang van 13 april 2007 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

1.3. Bij besluit van 23 mei 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 12 februari 2007 ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. In beroep heeft appellant herhaald dat zijn lichamelijke klachten zijn onderschat. Gewezen is op de sedert jaren onveranderde lichamelijke gezondheidssituatie van appellant waardoor zijn belastbaarheid evenmin is gewijzigd. Gesteld is verder dat appellant niet in staat is om fulltime deel te nemen aan het arbeidsproces vanwege zijn wisselende inzetbaarheid waardoor hij de geduide functies niet kan verrichten. Ter ondersteuning is namens appellant een rapport van 30 augustus 2007 van H.M.Th. Offermans, verzekeringsarts, ingebracht. In dit rapport heeft Offermans neergelegd dat hij zich in grote lijnen kan vinden in de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 december 2006. Ten aanzien van de rug- en beenstatus van appellant heeft Offermans aangegeven op welke items de FML zou moeten worden aangescherpt. Ook met betrekking tot een allergie voor minerale oliën dient in de FML een beperking te worden opgenomen.

2.2. Naar aanleiding van het rapport van Offermans heeft bezwaarverzekeringsarts P.M.H.J. Tjen de FML aangepast en een beperking opgenomen op item 3.4 “huidcontact”. Ten aanzien van de overige door Offermans geadviseerde aanscherping van de FML heeft Tjen in zijn rapportage van 5 november 2007 gemotiveerd aangegeven dat met de reeds vastgestelde beperkingen in voldoende mate rekening is gehouden met de klachten van appellant en er geen reden is voor de door Offermans geadviseerde aanscherping.

2.3. De rechtbank heeft, gelet op de beschikbare medische gegevens, waaronder de rapporten van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts Tjen, zoals nader toegelicht in de beroepsprocedure, geen aanleiding gezien om het Uwv niet te volgen in het standpunt dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in voldoende mate met zijn beperkingen rekening is gehouden. In hetgeen appellant hieromtrent heeft aangevoerd, namelijk dat hij meer beperkingen heeft dan door de bezwaarverzekeringsarts is aangenomen en niet in staat is de geselecteerde fulltime functies te verrichten, heeft de rechtbank onvoldoende aanleiding gezien voor een ander oordeel. Ook met de arbeidskundige grondslag kan de rechtbank zich verenigen. Omdat de intrekking van de uitkering pas in de beroepsfase deugdelijk is gemotiveerd, heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar tevens bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit geheel in stand blijven, met daarbij bepalingen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het genoemde besluit in stand te laten.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat uit het rapport van Offermans niet volgt dat de bezwaarverzekeringsarts de belastbaarheid van appellant op de datum in geding heeft overschat. Tjen heeft naar het oordeel van de Raad in zijn rapportage afdoende uiteengezet dat de beperkingen van appellant in de door hem aangepaste FML toereikend zijn. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant geschikt zijn.

4.3. Van de zijde van het Uwv is gesteld dat, ook indien de belastbaarheid wordt bijgesteld zoals door Offermans beschreven, de geduide functies onveranderd als passend zijn aan te merken. Daartoe heeft Tjen alsnog een (nadere) FML van 30 maart 2007 opgesteld waarin allle beperkingen zijn opgenomen die Offermans nodig vindt. De bezwaararbeidsdeskundige P.H.M. Leentjes heeft de aan de schatting ten grondslag gelegde functies beoordeeld aan de hand van deze FML. In zijn rapportage van 9 april 2009 heeft hij gemotiveerd uiteengezet dat de functie van elektronica monteur (SBC-code 267040) dan moet komen te vervallen, maar dat de belasting in de functies van samensteller metaalwaren (SBC-code 264140), productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050) ook met de uit de FML van 30 maart 2007 blijkende belastbaarheid in overeenstemming zijn. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant blijft daarmee minder dan 15%.

4.4. Van de zijde van appellant is niet gesteld dat in de FML van 30 maart 2007 door Offermans beschreven beperkingen ontbreken en op de rapportage van Leentjens heeft hij niet gereageerd. De Raad heeft geen reden voor twijfel aan de juistheid van de opvattingen van Leentjens. Voor de Raad staat daarmee te meer vast dat de rechtbank op goede gronden kwam tot het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit.

5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, voor zover deze door appellant is aangevochten.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter, en A.T. de Kwaasteniet en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 november 2009.

(get.) R.C. Stam.

(get.) F. Heringa.

IvR