Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4392

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
26-11-2009
Zaaknummer
08-6531 WWB + 08-6532 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Belastingrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Oplegging maatregel van verlaging van de bijstand met 30% voor de duur van twee maanden. Niet verschenen op oproep. Onvoldoende sollicitatieactiviteit. 2) Verlaging bijstand voor de duur van een maand met 100% per 1 september 2006 wegens verwijtbare gedragingen. 1) De verwijtbare gedragingen van appellant komen erop neer dat de verplichting om gebruik te maken van een door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling niet is nagekomen. Indien het College de juiste bepaling van de verordening zou hebben toegepast zou appellant de maatregel van 30% gedurende een maand zijn opgelegd. Vernietiging besluit 1. Raad doet zaak zelf af. 2) Rechtbank heeft besluit vernietigd en zaak zelf afgedaan, en bepaald dat uitkering verlaagd wordt met 10% gedurende 1 maand. Raad bevestigd uitspraak rechtbank. Aanvang verplichtingen; maatregel; specifieke bepaling gaat voor algemene bepaling;

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 9
Wet werk en bijstand 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6531 WWB

08/6532 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 september 2008, 07/335 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 07/3894 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Biemond, advocaat te ’s-Gravenhage, in beide zaken hoger beroep ingesteld.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2009. Voor appellant is verschenen mr. Biemond. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraken. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant heeft zich op 7 december 2005 gemeld bij het Centrum voor Werk en Inkomen (hierna: CWI) voor een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 30 januari 2006 is deze aanvraag buiten behandeling gesteld. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 4 mei 2006 gegrond verklaard. Bij besluit van 5 juli 2006 is de aanvraag om bijstand vervolgens afgewezen op de grond dat als gevolg van het verstrekken van onvoldoende inlichtingen het recht op bijstand niet is vast te stellen. Nadat tegen dit besluit bezwaar was gemaakt is door appellant aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 25 augustus 2006 heeft deze bepaald dat aan appellant bij wijze van voorlopige voorziening vanaf 14 augustus 2006 bijstand dient te worden verleend naar de voor hem geldende norm. Het College heeft voorts bij besluit van 18 september 2006 het bezwaar tegen het besluit van 5 juli 2006 gegrond verklaard en aan appellant alsnog met ingang van 16 november 2005 algemene bijstand toegekend.

1.2. Inmiddels had het College - voor zover hier van belang - appellant bij besluit van 25 augustus 2006 een maatregel opgelegd van verlaging van de bijstand met 30% voor de duur van twee maanden, welke maatregel bij besluit van 27 november 2006 is gehandhaafd. Daarbij is onder meer het volgende overwogen:

” Relevant feit blijft dat uw cliënt (lees: appellant) op 18 januari 2006 niet is verschenen op een oproep van de afdeling Werken. De verkorte rapportage basisdiagnose van het Diagnose Service Leerwerk Centrum vermeldt dat uw cliënt slechts 2 dagen aanwezig is geweest. Hij startte pas op de tweede dag en kwam die dag na de middagpauze niet terug. Hij was ook dinsdag en woensdag in de tweede week afwezig zonder bericht. Telefonisch was hij onbereikbaar. Aangezien uw cliënt niet beschikt over enig diploma noch werkervaring wordt deze basisdiagnose noodzakelijk geacht voor uw cliënt, mede op grond van zijn detentieverleden. Bovendien blijkt dat uw cliënt niet aantoonbaar solliciteert. Vervolgens heeft uw cliënt in juni 2006 op een oproep van Werkkompas niet gereageerd en een nieuwe afspraak op 6 juni 2006 afgebeld.”.

Het College heeft daarbij geconcludeerd dat appellant door zijn handelwijze blijk heeft gegeven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De maatregel is gebaseerd op artikel 18, tweede lid, van de WWB en artikel 11 van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: verordening).

2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 27 november 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.1. Bij besluit van 22 november 2006 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 september 2006 voor de duur van een maand verlaagd met 100%. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant zich opnieuw verwijtbaar heeft gedragen door zich tijdens een intakegesprek voor een activeringstraject bij Rodor Opleidingen bv zeer ongemotiveerd op te stellen en op nadere afspraken met Rodor op 15 en 18 september 2006 zonder bericht niet te verschijnen.

3.2. Bij besluit van 10 april 2007 heeft het College het tegen het besluit van 22 november 2006 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en alsnog een maatregel van 30% voor een maand opgelegd.

4. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het tegen dat besluit ingestelde beroep - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - gegrond verklaard, het besluit van 10 april 2007 vernietigd en - zelf in de zaak voorziend - bepaald dat de bijstand met ingang van 1 september 2006 wordt verlaagd met 10%.

5. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2 gekeerd.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ten aanzien van de aangevallen uitspraak 1

6.1. Ingevolge artikel 7 van de verordening leidt het niet nakomen van een arbeidsverplichting, als bedoeld in artikel 9 van de wet (…) tot een maatregel van de derde categorie bij gedragingen die de arbeidsinschakeling belemmeren of bij het niet of niet in voldoende mate gebruik maken van de door het college op basis van artikel 9, eerste lid, onderdeel b en artikel 10, eerste lid van de wet en de daaraan ten grondslag liggende reïntegratieverordening aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale activering.

6.1.1. Artikel 11, eerste lid, van de verordening bepaalt dat, als de belanghebbende voorafgaand aan of tijdens de bijstandsverlening tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan, afhankelijk van de omstandigheden een maatregel wordt opgelegd van maximaal de vierde categorie.

6.1.2. Ingevolge artikel 13 van de verordening bedraagt een maatregel bij een gedraging van de tweede categorie 10% van de bijstandsnorm voor de duur van een maand, bij een gedraging van derde categorie 30% gedurende een maand en bij een gedraging van de vierde categorie bedraagt de maatregel 100% gedurende twee maanden.

6.1.3. De Raad stelt voorop dat, anders dan appellant meent, de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB gelden vanaf de datum van melding bij het CWI en dus niet pas vanaf het moment dat de bijstand is toegekend. De Raad stelt voorts met de rechtbank vast dat de door het College aan appellant verweten gedragingen, welke op zichzelf door hem niet worden betwist, hem terecht zijn aangerekend. Hetgeen omtrent de verslaafdheid van appellant is aangevoerd kan hieraan niet afdoen, teminder nu appellant zich kennelijk pas na de periode in geding bij het psycho-medisch centrum Parnassia heeft aangemeld en uit de daarbij opgemaakte rapportage niet kan worden afgeleid dat hem terzake van het eerder niet verschijnen op afspraken geen verwijt kan worden gemaakt. De verwijtbare gedragingen van appellant komen erop neer dat de verplichting om gebruik te maken van een door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling niet is nagekomen. Gelet hierop was de meer specifieke bepaling van artikel 7 van de verordening in dit geval van toepassing. Het stond het College daarbij niet vrij niettemin de meer algemeen geformuleerde bepaling van artikel 11 van de verordening (met daaraan gekoppeld een zwaardere maatregel) toe te passen, teminder nu daarvoor in de toelichting op artikel 11 geen steun is te vinden. Indien het College de juiste bepaling zou hebben toegepast zou appellant de maatregel van 30% gedurende een maand zijn opgelegd. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het besluit van 27 november 2006 wegens een onjuiste grondslag vernietigen en bepalen dat de bijstand van appellant met ingang van

1 september 2006 met 30% wordt verlaagd voor de duur van een maand.

Ten aanzien van de aangevallen uitspraak 2

6.2.1. De feiten die aan de opgelegde maatregel ten grondslag zijn gelegd zijn door appellant niet betwist. Appellant heeft enkel betoogd dat hem ter zake geen verwijt treft. De Raad kan appellant daarin, onder verwijzing naar hetgeen onder 6.1.3 is overwogen, niet volgen. Niet valt in te zien dat van appellant niet kon worden gevergd dat hij zich ten

minste op de gemelde afspraakdata bij Rodor meldde. Aangezien derhalve geen sprake is van een situatie dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt was het College gehouden een maatregel op te leggen. De Raad oordeelt voorts dat appellant, gelet op de aard van de gedraging, door de oplegging van een maatregel van 10% voor de duur van een maand zeker niet tekort is gedaan.

6.2.2. Het hoger beroep treft derhalve geen doel.

7. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak 1 dient te worden vernietigd en dat de aangevallen uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking komt.

8. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt aangevallen uitspraak 1;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 27 november 2006;

Bepaalt dat appellant met ingang van 1 september 2006 een maatregel van 30% voor de duur van een maand wordt opgelegd;

Bevestigt aangevallen uitspraak 2;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 145,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) C. de Blaeij.

mm