Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4278

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
08-962 WWB + 08-963 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Autohandel. Schending inlichtingenverplichting. Reeds omdat het hier gaat om inkomsten uit autotransacties en niet om vermogen uit auto’s faalt het betoog van appellanten dat, vanwege de geringe waarde van de in geding zijnde oude auto’s, ten tijde hier van belang geen sprake kan zijn van een overschrijding van de van toepassing zijnde vermogensgrens en dat appellanten daarom recht hebben op bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/962 WWB

08/963 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] en [Appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 21 december 2007, 07/437 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M. Luijendijk, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2009.

Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. R.S. Sewdajal, advocaat te Dordrecht en mevrouw J. van Gilst, fiscaal adviseur. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen bijstand naar de norm voor gehuwden vanaf 25 maart 2002, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand is informatie ingewonnen bij de Dienst Wegverkeer (RDW) en heeft appellant op 18 mei 2006 een verklaring afgelegd over de auto’s die in de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 september 2005 op naam van (een van) appellanten hebben gestaan. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 7 september 2006 de bijstand van appellanten over een aantal in voornoemde periode gelegen maanden in te trekken en de over die maanden gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van € 56.707,64 van hen terug te vorderen.

1.3. Bij besluit van 23 april 2007 heeft het College het tegen het besluit van 7 september 2006 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Daarbij is bepaald dat de bijstand wordt ingetrokken over de volgende, in de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 september 2005 gelegen, maanden: januari, mei , juni, september, oktober en december 2003, februari, maart, augustus, september, oktober en november 2004 en maart en september 2005. Voorts is het teruggevorderde bedrag verlaagd tot € 22.075,30. Aan het besluit heeft het College ten grondslag gelegd dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door niet aan het College te melden dat zij over inkomsten beschikten als gevolg van handel in auto’s en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over genoemde maanden niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 april 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Uit de kentekenregistratie van de RDW in de periode van januari 2003 tot en met september 2005 blijkt dat gedurende twee jaar en negen maanden regelmatig kentekens op naam van (een van) appellanten hebben gestaan. Deze - in totaal veertien - kentekens stonden doorgaans gedurende betrekkelijk korte tijd op naam. Uit de kentekenregistratie van de RDW blijkt voorts dat een aantal voertuigen is geëxporteerd. De Raad gaat er met het College vanuit dat appellanten deze auto’s hebben overgedragen aan derden, al dan niet voor gebruik in het buitenland. De Raad gaat er verder vanuit dat de datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam (van een) van appellanten staat, de datum is waarop de betreffende transactie heeft plaatsgevonden. De gemachtigde van appellanten heeft desgevraagd ter zitting bevestigd dat de in geding zijnde transacties als zodanig niet worden betwist. Gelet op het vorenstaande stelt de Raad vast dat appellanten in de onder 1.3 genoemde maanden auto’s aan derden hebben overgedragen. Naar het oordeel van de Raad hebben appellanten onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze auto’s voor eigen gebruik waren.

4.2. Van de onder 4.1 genoemde transacties die onmiskenbaar van belang zijn voor de verlening van bijstand, hebben appellanten aan het College geen mededeling gedaan.

Appellanten kunnen zich er niet op beroepen dat zij er niet goed van op de hoogte waren dat zij van de verkoop van auto’s melding hadden moeten maken. Het gaat hier immers om met autotransacties verworven inkomsten, waarvan het appellanten redelijkerwijs duidelijk had moeten dat zij die inkomsten - uit eigen beweging - moesten melden.

De Raad is dan ook van oordeel dat appellanten in de maanden waarin transactie(s) van auto’s hebben plaatsgevonden de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw respectievelijk artikel 17, eerste lid, van de WWB op hen rustende inlichtingenplicht hebben geschonden. Aangezien controleerbare gegevens over de met de transacties verworven inkomsten ontbreken, kan over die maanden niet meer worden vastgesteld, of en zo ja in welke mate, appellanten verkeerden in omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw respectievelijk artikel 11, eerste lid, van de WWB. Reeds omdat het hier gaat om inkomsten uit autotransacties en niet om vermogen uit auto’s faalt het betoog van appellanten dat, vanwege de geringe waarde van de in geding zijnde oude auto’s, ten tijde hier van belang geen sprake kan zijn van een overschrijding van de van toepassing zijnde vermogensgrens en dat appellanten daarom recht hebben op bijstand.

4.3. In hetgeen onder 4.2 is overwogen ligt besloten dat het College bevoegd was om, met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, over te gaan tot intrekking van de bijstand over de onder 1.3 genoemde maanden. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding te oordelen dat het College in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking.

4.5. Met het voorgaande is tevens gegeven dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding te oordelen dat het College in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot terugvordering.

4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F.Talman als voorzitter en A.B.J. van der Ham en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2009.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) C. de Blaeij.

mm