Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4273

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
09-815 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. De termijn waarbinnen op het bezwaar moest worden beslist is overschreden; termijn van orde. Naar het oordeel van de Raad bevatten de bevindingen van het huisbezoek (...) voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat appellant (...) niet feitelijk woonachtig is geweest op het door hem opgegeven adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/815 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2008, 08/3263 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.G. Tijhuis, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2009. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diderich, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sedert 24 augustus 1990 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Hij heeft opgegeven woonachtig te zijn op het adres [adres] te [woonplaats].

1.2. Nadat appellant twee keer niet op het opgegeven adres werd aangetroffen, geen gehoor gaf aan een uitnodiging om op 12 januari 2006 te verschijnen bij de Dienst Werk en Inkomen (hierna: dienst) en op die dag telefonisch contact opnam vanuit het buitenland is hij uitgenodigd om op 16 januari 2006 op de dienst te verschijnen. Tevens is een buurtonderzoek gehouden. Appellant heeft aan de uitnodiging gehoor gegeven en daarbij een verklaring afgelegd over zijn recente verblijf in het buitenland en zijn woonsituatie. Aansluitend is door een handhavingspecialist en een medewerker dienstverlening van de dienst een huisbezoek afgelegd op het door appellant opgegeven woonadres. Daarbij werden geen persoonlijke spullen van appellant aangetroffen. Wel werden aangetroffen medicijnen en bescheiden op naam van vier andere personen. Tevens bleek dat appellant desgevraagd niet te kunnen aangeven wat zich in de woning bevond en was hij niet bekend met de werking van de TV.

1.3. Hierop heeft het College bij besluit van 15 februari 2006 de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 1996 ingetrokken.

1.4. Bij besluit van 11 mei 2006 heeft het College de bezwaren tegen het besluit van 15 februari 2006 ongegrond verklaard.

1.5. Bij uitspraak van 5 oktober 2006, voor zover van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam het beroep tegen het besluit van 11 mei 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het College een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellant met inachtneming van de uitspraak. Daarbij heeft de voorzieningrechter overwogen dat appellant weliswaar de inlichtingenverplichting heeft geschonden door onjuiste inlichtingen omtrent zijn woonsituatie te verstrekken en dat het College bevoegd was de bijstand in te trekken, maar dat er onvoldoende feitelijke grondslag is om de intrekkingsdatum te bepalen op 1 januari 1996.

1.6. Ter uitvoering van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank heeft het College bij besluit van 18 juli 2008 de bezwaren van appellant tegen het besluit van 15 februari 2006 gegrond verklaard en de intrekkingsdatum bepaald op 12 januari 2006. Als grondslag voor de intrekking van de bijstand is wederom vermeld schending van de inlichtingenverplichting, met als gevolg dat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 18 juli 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant heeft als formele grond naar voren gebracht dat de termijn waarbinnen op het bezwaar moest worden beslist is overschreden. Op grond van de gedingstukken stelt de Raad vast dat deze termijn inderdaad ruimschoots is overschreden. Met deze vaststelling kan in dit geval worden volstaan. Het gaat hier, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, om een termijn van orde. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om aan deze overschrijding consequenties te verbinden voor de zaak ten gronde.

4.2. Met betrekking tot de materiële grond merkt de Raad op dat, naar vaste rechtspraak van de Raad, de vraag waar iemand zijn woonadres heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht ter zake juiste en volledige informatie te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.3. Naar het oordeel van de Raad bevatten de bevindingen van het huisbezoek zoals weergegeven onder 1.2 voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat appellant in de te beoordelen periode, in dit geval van 12 januari 2006 tot en met 15 februari 2006, niet feitelijk woonachtig is geweest op het door hem opgegeven adres. In het licht hiervan gaat de Raad voorbij aan de verklaring van de buurvrouw van appellant dat hij wel op het opgegeven adres zou wonen. Aan de verklaring van een medewerker van de woningbouwvereniging die onaangekondigd een huisbezoek heeft afgelegd en appellant daarbij zou hebben aangetroffen gaat de Raad voorbij reeds omdat dit huisbezoek is afgelegd op een moment ver vóór de periode hier in geding.

4.4. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat appellant onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt omtrent zijn feitelijke woonadres. Daarmee is hij tekortgeschoten in de nakoming van de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting kan voorts niet worden vastgesteld of appellant ten tijde hier van belang in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

4.5. Het voorgaande betekent dat het College bevoegd was met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand vanaf 12 januari 2006 in te trekken. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van intrekking gehanteerde beleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het beleid had moeten afwijken.

4.6. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en R.H.M. Roelofs als leden in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) C. de Blaeij.

mm