Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4213

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-11-2009
Datum publicatie
24-11-2009
Zaaknummer
09-179 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering aan appellante opnieuw studiefinanciering toe te kennen voor een nieuwe opleiding. Duidelijk is geworden dat het resultaat van de strikte toepassing van de wet aanzienlijke gevolgen voor appellante heeft, maar die gevolgen vormen onvoldoende reden om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van de in de wet neergelegde duidelijke regels.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/179 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 november 2008, 07/1943 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 20 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft H. Yurdusen, werkzaam bij Ferman Juridisch Advies te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar bovengenoemde gemachtigde. De IB-Groep was vertegenwoordigd door drs. P.M.S. Slagter.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellante, geboren [in] 1977, is tot en met 31 juli 2007 studiefinanciering toegekend in verband met het volgen van een MBO-opleiding op niveau 2. Na afronding van die opleiding in juli 2007 heeft appellante met een formulier Wijzigen studiefinanciering, gedateerd 10 augustus 2007, aan de IB-Groep doorgegeven dat ze per 1 augustus 2007 staat ingeschreven voor een nieuwe MBO-opleiding op niveau 4 en zij in verband daarmee studiefinanciering wenst te ontvangen.

1.2. Bij besluit van 10 augustus 2007 heeft de IB-Groep geweigerd aan appellante vanaf 1 augustus 2007 opnieuw studiefinanciering toe te kennen. Deze beslissing is bij besluit op bezwaar van 19 oktober 2007 gehandhaafd. Daartoe is verwezen naar het bepaalde in artikel 2.3, leden 3 en 4, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 19 oktober 2007 bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe is -kort samengevat- overwogen dat de aanvraag van 10 augustus 2007 om toekenning van studiefinanciering voor de nieuwe opleiding waarvoor appellante per 1 augustus 2007 stond ingeschreven, gezien de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen van de Wsf 2000 -in het bijzonder de artikelen 3.21, tweede lid, en artikel 2.3, leden 3 en 4- niet voor honorering in aanmerking komt en het beroep van appellante op de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 vervatte hardheidsclausule niet kan slagen.

3. Het hoger beroep van appellante richt zich in het bijzonder tegen het oordeel van de rechtbank dat de IB-Groep in de bijzondere omstandigheden van dit geval geen aanleiding heeft behoeven te vinden om met toepassing van de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 opgenomen hardheidsclausule appellante vanaf 1 augustus 2007 in aanmerking te brengen voor studiefinanciering. Appellante stelt dat strikte toepassing van de wet in haar geval tot onaanvaardbare gevolgen leidt. In het onderhavige geval is geen sprake geweest van onderbreking van de studie. Appellante heeft zich al op 5 juli 2007 bij de onderwijsinstelling aangemeld voor de nieuwe opleiding en daar wordt door de IB-Groep ten onrechte geen waarde aan toegekend. Ze heeft slechts een kleine fout gemaakt door het wijzigingsformulier eerst op 10 augustus 2007 in plaats van eind juli 2007 aan de IB-Groep te sturen. De gevolgen van die kleine fout zijn voor appellante, die een partner en kind heeft, dermate groot dat het belang van appellante zwaarder dient te wegen dan het belang van een strikte toepassing van de wet.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen dat appellante gelet op de van toepassing zijnde dwingendrechtelijke bepalingen van de Wsf 2000 niet in aanmerking komt voor toekenning van studiefinanciering met ingang van 1 augustus 2007. Gezien het pleidooi van de gemachtigde van appellante ter zitting wordt dit van de zijde van appellante ook niet langer bestreden.

4.3. In artikel 11.5 van de WSF 2000 is door de wetgever aan de IB-Groep de bevoegdheid verleend om deze wet buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken ingeval toepassing, gelet op het belang dat deze weg beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Volgens constante rechtspraak biedt deze hardheidsclausule de IB-Groep niet de mogelijkheid om een uitzondering te maken op in de Wsf 2000 opgenomen wettelijke bepalingen, indien de onverkorte toepassing van die wettelijke bepalingen in het concrete geval in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet.

In de Wsf 2000 zijn volstrekt heldere regels neergelegd over de voorwaarden waaronder studiefinanciering kan worden toegekend. Appellante voldoet niet aan die voorwaarden. Er is op geen enkele wijze gebleken van (zeer) bijzondere individuele omstandigheden die nopen tot het buiten toepassing laten van die wettelijke bepalingen. Het gaat immers in wezen om onbekendheid bij appellante met de op haar concrete situatie van toepassing zijnde regelgeving. Het lag op de weg van appellante om zich tijdig op de hoogte te (laten) stellen over het tijdstip waarop een aanvraag om studiefinanciering moet zijn ingediend om in aanmerking te kunnen komen voor de door haar -in aansluiting op de in juli 2007 afgeronde opleiding- aangevangen nieuwe opleiding met inschrijfdatum 1 augustus 2007.

De omstandigheid dat appellante in de veronderstelling verkeerde dat een tijdige aanmelding bij de school voldoende was om vanaf 1 augustus 2007 voor studiefinanciering in aanmerking te komen, komt voor haar rekening en risico. Duidelijk is geworden dat het resultaat van de strikte toepassing van de wet aanzienlijke gevolgen voor appellante heeft, maar die gevolgen vormen onvoldoende reden om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van de in de wet neergelegde duidelijke regels.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get) A.E. van Rooij.

EF