Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4095

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-11-2009
Datum publicatie
24-11-2009
Zaaknummer
08-4156 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAZ-uitkering. Voldoende medische grondslag. Geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4156 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 mei 2008, 07/1906

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. B.J.M. de Leest, advocaat te Utrecht.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van bezwaarverzekeringsarts

L. ten Hove van 29 augustus 2008 ingediend.

Bij brief van 4 mei 2009 is namens appellant een arbeidskundig rapport van J.L. Bodde van 29 april 2009 ingediend.

Bij brief van 18 mei 2009 heeft het Uwv een nadere reactie gegeven en daarbij gevoegd een rapport van bezwaarverzekeringsarts Ten Hove, voornoemd, van 15 mei 2009.

Bij brief van 14 september 2009 is namens appellant een verklaring ingebracht van neuroloog P.H.P Jansen van 13 augustus 2009.

Bij brief van 25 september 2009 heeft het Uwv een nadere reactie gegeven en daarbij gevoegd een rapport van bezwaarverzekeringsarts Ten Hove van 25 september 2009.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2009.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Leest, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J.G. Lindeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als zelfstandig gevelreiniger/voeger toen hij zich op 17 februari 2000 wegens rugklachten arbeidsongeschikt heeft gemeld per 1 augustus 1995. Het Uwv heeft appellant met ingang van 17 februari 1999 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen (WAZ) laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellant onderzocht door een arts van het Uwv die, na lichamelijk onderzoek, dossierstudie en mede onder verwijzing naar een rapport van psychiater M. Muinen van 27 januari 2006 heeft geconstateerd dat er sprake is van een discrepantie tussen beleving en objectiveerbare anatomisch substraat. Wel is daarbij sprake van beperkingen ten aanzien van het locomotor vermogen van rug/nek bij het verrichten van arbeid, welke beperkingen hij heeft vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens, blijkens rapport van 15 januari 2007, een aantal voor appellant geschikte functies geselecteerd, waarmee deze een zodanig inkomen kan verdienen dat een verlies van verdiencapaciteit resteert van minder dan 25 %. Bij besluit van 16 januari 2007 heeft het Uwv de WAZ- uitkering van appellant per 17 maart 2007 ingetrokken.

1.4. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Vervolgens is door de bezwaarverzekeringsarts op 13 juni 2007 rapport uitgebracht. Naar aanleiding van het bijwonen van de hoorzitting, dossierstudie en bestudering van informatie van de huisarts van appellant van 25 mei 2007 en van de behandelend neurochirurg P.J. Schutte van 25 mei 2007 heeft hij geconcludeerd dat de vele in bezwaar geclaimde beperkingen aspecifiek dan wel niet objectiveerbaar zijn. Omdat er geen sprake is van objectiveerbare ernstige energetische beperkingen, er geen sprake is van verminderde beschikbaarheid en er geen preventieve aspecten te stellen zijn om van hele dagen arbeid objectiveerbare schade aan de gezondheid te verwachten, is in passend werk zijns inziens geen urenbeperking nodig. Daarbij heeft hij van belang geacht dat een medische noodzaak tot liggen overdag niet te stellen is. In verband met appellants prikkelbaarheid dan wel persoonlijkheidsproblematiek kon de bezwaarverzekeringsarts zich echter niet met de FML van 5 juli 2006 verenigen en heeft hij op 13 juni 2007 een nieuwe FML vastgesteld waarbij appellant meer beperkt is geacht op de items conflicthantering en samenwerken, maar eveneens ten aanzien van tastzin in verband met tintelingen in de handen, langdurig zitten en bovenhands werk. De aangepaste FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige aanleiding gegeven de aan de schatting ten grondslag gelegde functie van parkeercontroleur niet te handhaven. Omdat de overige geduide functies wel passend voor appellant te achten waren werd hij nog steeds voor minder dan 25% arbeidsongeschikt beschouwd. Bij besluit van 19 juni 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - onder meer - het volgende overwogen.

ā€œ De rechtbank is verder van oordeel dat er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts aangevulde FML. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de onderzoeksmethoden, argumentatie en bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts schriftelijk zijn vastgelegd in de rapportage van 13 juni 2007. Er is geen aanleiding aan te nemen dat het onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Ook zijn de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts naar behoren gemotiveerd. Eiser heeft geen medische stukken overgelegd om zijn stelling te onderbouwen dat hij naast de door de bezwaarverzekeringsarts aangenomen beperkingen nog andere beperkingen ondervindt in verband met concentreren, hurken, horen en schijven. In de aanwezige medische stukken is daar evenmin steun voor te vinden.ā€

3. Namens appellant is in hoger beroep gesteld dat appellant een veelheid aan lichamelijke klachten heeft, deze klachten ook sā€™ nachts optreden en hij al jarenlang geen ongestoorde nachtrust meer heeft met als gevolg altijd aanwezige ernstige vermoeidheid. Het Uwv heeft derhalve ten onrechte geen urenbeperking voor appellant aangenomen. Ter ondersteuning van zijn standpunt is een rapport van arbeidskundige Bodde van 29 april 2009 ingediend, waarin is geconcludeerd dat appellant ten gevolge van ziekte of gebrek niet in staat wordt geacht loonvormende arbeid te verrichten. Tevens is een rapport van neuroloog Jansen van 13 augustus 2009 in geding gebracht, waarin is geconcludeerd dat sprake is van een ernstige in- en doorslaapstoornis. Voorts heeft appellant verzocht een deskundige te benoemen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. De Raad is van oordeel dat niet is kunnen blijken van genoegzame aanknopingspunten in objectief-medische zin om appellant te kunnen volgen in de opvatting dat zijn beperkingen in onvoldoende mate door de (bezwaarverzekerings)arts zijn erkend. De beschikbare medische gegevens bieden voor die opvatting van appellant geen steun. Met betrekking tot de namens appellant in een zeer laat stadium in het geding gebrachte rapport van neuroloog Janssen merkt de Raad op dat dit rapport niet ziet op de hier in geding zijnde datum. Anders dan namens appellant gesteld, kan niet geconcludeerd worden dat de ernstige in- en doorslaapstoornis - welke is vastgesteld na een onderzoek in de maand mei 2009 - ook in deze mate van ernst aanwezig was op 17 maart 2007. De Raad is dan ook niet tot de overtuiging kunnen komen dat appellant meer beperkingen heeft dan door het Uwv zijn vastgesteld. De door appellant overgelegde verklaring van arbeidskundige Bodde, welke is opgemaakt in opdracht van de gemeente Hilversum in het kader van de uitvoering van de Wet Werk en Bijstand (WWB), heeft de Raad evenmin tot een ander oordeel kunnen brengen, waarbij de Raad opmerkt dat een in het kader van de WWB opgemaakte verklaring niet van (doorslaggevende) betekenis is te achten voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO, nu daarvoor andere criteria gelden dan die welke bij het totstandkomen van bedoelde verklaring een rol hebben gespeeld. Tevens acht de Raad van belang dat ook dit rapport niet ziet op de hier in geding zijnde datum. Dit betekent dat de medische grondslag van het bestreden besluit op goede gronden berust.

4.1.1. Voor inschakeling van een deskundige, als namens appellant bepleit, ziet de Raad in het licht van het hiervoor gegeven oordeel geen aanleiding.

4.2. De Raad is ten slotte van oordeel dat, mede gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, terecht door het Uwv is aangenomen dat de functies die uiteindelijk als schattingsgrondslag resteren, in medisch opzicht geacht kunnen worden binnen het bereik van appellant te liggen. Het beroep tegen het bestreden besluit is door de rechtbank terecht ongegrond verklaard.

5. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht omtrent de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) R.L. Rijnen.

CVG