Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4086

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-11-2009
Datum publicatie
24-11-2009
Zaaknummer
09-1062 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De Raad ziet in hetgeen namens appellante is aangevoerd geen grond om de beperkingen, zoals die in de FML zijn neergelegd, onjuist te achten. In de FML zijn diverse beperkingen aangenomen in de rubrieken "Dynamische handelingen" en "Statische houdingen". Het gaat daarbij onder andere om beperkingen ten aanzien van het hand- en vingergebruik, tillen en dragen, het hanteren van zware lasten, lopen, traplopen, klimmen, staan en knielen of hurken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de verzekeringsartsen van het Uwv de medische beperkingen van appellante op de juiste wijze hebben vastgesteld en dat de belasting in de voorgehouden functies daarmee in overeenstemming is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/1062 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 januari 2009, 07/5011

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.F.E. Frommé, werkzaam bij Juridische Dienstverlening Nederland B.V. te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Frommé voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.C. Röttjers.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is voor 35 uur per week werkzaam geweest als opticien. Zij is op 19 januari 2005 vanwege beenklachten uitgevallen voor die werkzaamheden. Enkele weken later is zij in een ander filiaal gaan werken op een rustiger locatie waar zij minder hoeft te lopen en te staan. Ook is zij minder uren gaan werken, 21 uur per week in plaats van 35 uur per week.

1.2. Bij besluit van 3 januari 2007 heeft het Uwv geweigerd om haar, na afloop van de voor haar geldende wachttijd, met ingang van 17 januari 2007 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen. Dit besluit berust op het standpunt dat appellante op 17 januari 2007, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor haar geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit dat minder is dan 35%. In zo’n geval bestaat geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA.

1.3. Namens appellante is tegen dat besluit bezwaar gemaakt, waarbij is aangevoerd dat ze als gevolg van haar klachten niet in staat is om volledig werkzaamheden te verrichten. Er is bij haar onder andere sprake van klachten aan de beide benen, rechts ernstiger dan links, klachten aan de handen en vermoeidheidsklachten. Het aantal uren dat ze nu werkt, is voor haar het maximaal haalbare.

1.4. Bij besluit van 16 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. De bezwaarverzekeringsarts heeft in hetgeen namens appellante is aangevoerd geen reden gezien de medische grondslag van het besluit te herzien.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsartsen bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Met name blijkt dat zij, mede op basis van de informatie van de behandelend sector, op de hoogte waren van de door appellante gestelde klachten. Die klachten zijn ook meegewogen in het opstellen van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De door appellante overgelegde medische informatie heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven tot het oordeel dat de medische beperkingen zijn onderschat. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat uit informatie van de neuroloog van 8 oktober 2007 en 6 maart 2008 niet blijkt van een mitochondriële myopathie. Ten aanzien van de in beroep ingezonden brieven van de revalidatiearts en de fysiotherapeut van 1 december 2008 en 26 november 2008 heeft de rechtbank overwogen dat daaruit niet blijkt dat appellante op de datum in geding meer beperkt was dan in de FML is verwoord. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsartsen terecht geen aanleiding hebben gezien voor een urenbeperking, nu er geen sprake is van beperkte beschikbaarheid van appellante dan wel ernstige energetische belemmeringen. Evenmin is er aanleiding, indien rekening wordt gehouden met de vastgestelde beperkingen, om appellante vanwege preventie in uren te beperken. De rechtbank heeft de belastbaarheid van de aan appellante voorgehouden functies in overeenstemming geacht met de voor haar geldende beperkingen.

3.1. Namens appellante zijn in hoger beroep diverse medische stukken ingezonden. Dit betreft een rapportage, gedateerd 12 juli 2009 van R.M. Pascuzzi, M.D., neuroloog te Indianapolis, U.S.A., en verbonden aan “Best Doctors” . Voorts een rapportage van de behandelend fysiotherapeut T. Rombouts van 21 september 2009, een door de huisarts verstrekt overzicht van de specialistische correspondentie met de daarbij gevoegde brieven van de neuroloog dr. L.H. Visser van 5 juni 2009 en 9 september 2009 en van de reumatoloog dr. M. Wijnands van 3 december 2008.

3.2. De bezwaarverzekeringsarts A. Deitz heeft in een rapport van 1 oktober 2009 een reactie gegeven op deze medische stukken. Hij geeft hierin aan dat de neuroloog Pascuzzi differentiaal diagnostische overwegingen en adviezen geeft in zijn rapport. De gegevens leiden niet tot helderheid over de bij appellante te stellen diagnose. Pascuzzi adviseert verdergaand onderzoek om de diagnose duidelijk te stellen. Dit geeft geen informatie weer, op basis waarvan het Uwv per datum in geding andere of meer beperkingen kan vaststellen. Uit de overige medische stukken, die alle bijna twee jaar of nog langer na de datum in geding zijn gedateerd, zijn ook geen andere beperkingen af te leiden dan de beperkingen die in de FML zijn opgenomen. Wel lijkt het zo te zijn, dat de toestand van appellante geleidelijk verslechtert. De bezwaarverzekeringsarts adviseert appellante dan ook om zich per een latere datum dan de datum in geding toegenomen arbeidsongeschikt te melden bij het Uwv.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. De Raad ziet in hetgeen namens appellante is aangevoerd geen grond om de beperkingen, zoals die in de FML zijn neergelegd, onjuist te achten. In de FML zijn diverse beperkingen aangenomen in de rubrieken "Dynamische handelingen" en "Statische houdingen". Het gaat daarbij onder andere om beperkingen ten aanzien van het hand- en vingergebruik, tillen en dragen, het hanteren van zware lasten, lopen, traplopen, klimmen, staan en knielen of hurken. Aangegeven is dat appellante is aangewezen op overwegend zittend werk, met de mogelijkheid tot vertreden. Hierbij is uitgegaan van de gezondheidssituatie van appellante op de datum 17 januari 2007. De Raad onderschrijft de opmerking van de bezwaarverzekeringsarts, dat een mogelijke verslechtering van de gezondheidssituatie van appellante na die datum geen invloed heeft op de onderhavige beoordeling, maar dat appellante zich in verband hiermee wel toegenomen arbeidsongeschikt zou kunnen melden. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de verzekeringsartsen van het Uwv de medische beperkingen van appellante op de juiste wijze hebben vastgesteld en dat de belasting in de voorgehouden functies daarmee in overeenstemming is.

4.2. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen, vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 november 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) R.L. Rijnen.

KR