Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4076

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-11-2009
Datum publicatie
24-11-2009
Zaaknummer
08-634 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAJONG-uitkering. In de FML is beperking ten aanzien van handelingstempo aangenomen, in de rubriek "persoonlijk functioneren" waarin staat dat appellante is aangewezen op werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is. Geschiktheid geduide functies. In de actuele visie van de ‘Multidisciplinaire richtlijn van psychiatrische aandoeningen’, wordt aangegeven dat arbeid bij een psychiatrische aandoening of stoornis naast begeleiding en therapie effectief is en zeker niet contraproductief. Door het niet in geding brengen vandeze richtlijn is appellante niet in processuele belangen geschaad, aangezien de opmerking van de bezwaarverzekeringsarts over deze richtlijn niet bepalend is geweest voor de vaststelling van de medische beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/634 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 december 2007, 07/1002 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. van Leeuwen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2009. Voor appellante is verschenen mr. Van Leeuwen voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van Nood.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante had vanwege psychische klachten een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %.

1.2. Bij besluit van 4 september 2006 heeft het Uwv haar uitkering met ingang van

3 november 2006 ingetrokken. Namens appellante is tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 3 januari 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante op 3 november 2006, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor haar geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv niet in enig verlies aan verdiencapaciteit.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is in de aangevallen uitspraak overwogen dat de rechtbank geen aanleiding heeft gezien het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten.De verzekeringsarts T.K. Oei heeft, naast eigen onderzoek, een expertise laten verrichten door de psychiater E.F. van Ittersum. Volgens Van Ittersum is appellante beperkt ten aanzien van stresshantering, conflicthantering, deadlines en dergelijke. Hij acht bij haar wel duurzaam benutbare mogelijkheden aanwezig, maar geeft daarbij aan dat het niet aan hem is om zich uit te spreken over loonvormende arbeid. Voorts geeft hij aan dat het hem zinvol lijkt bij re-integratie begeleiding in te stellen. De verzekeringsarts heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld waarin de door de psychiater aangegeven beperkingen zijn opgenomen. Er zijn beperkingen aangenomen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. Voorts zijn lichamelijke beperkingen aangenomen omdat de verzekeringsarts enige energetische beperkingen aannemelijk achtte. De bezwaarverzekeringsarts B.C.M. Admiraal is na bestudering van het dossier akkoord gegaan met deze FML. De conclusies van Admiraal zijn beschreven in een rapport van 27 december 2006. De rechtbank heeft overwogen dat appellante in beroep geen medische stukken in het geding heeft gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat de belasting van de aan appellante voorgehouden functies past binnen de opgestelde FML.

3. In hoger beroep is namens appellante bestreden dat zij op de vrije arbeidsmarkt kan werken. In 1997 heeft het Uwv geoordeeld dat appellante is aangewezen op eenvoudig werk met structuur en begeleiding. Destijds konden geen functies worden gevonden die aan die voorwaarden voldeden. Geconcludeerd is toen dat appellante is aangewezen op werkzaamheden onder beschutte omstandigheden, waarbij de verdiencapaciteit op de vrije arbeidsmarkt op nihil is te stellen. Bij een herbeoordeling in 2002 is dezelfde conclusie getrokken. Niet valt in te zien waarom appellante in 2006 wel in staat zou zijn om in productiegerichte functies, waar per definitie geen structuur of begeleiding wordt geboden, te functioneren. De beperkingen van appellante zijn niet veranderd, zodat zij blijvend zal zijn aangewezen op werk in een beschutte werkomgeving.Van Ittersum heeft aangegeven dat bij re-integratie begeleiding dient te worden ingesteld. Uit niets blijkt, dat die begeleiding ook inderdaad kan worden geëffectueerd. Ook is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in de FML geen beperking is opgenomen voor wat betreft het handelingstempo. In de FML is die beperking wel degelijk aangenomen, namelijk in de rubriek "persoonlijk functioneren" waarin staat dat de cliënt is aangewezen op werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. De Raad onderschrijft niet de stelling van appellante dat het bij de aan de schatting ten grondslag gelegen loondienstfuncties zou gaan om functies waarbij per definitie geen structuur of begeleiding wordt geboden. Uit de functieomschrijvingen blijkt dat het gaat om eenvoudige functies met een voorspelbare werksituatie. De bezwaararbeidsdeskundige A.G. Diergaarde heeft in een bij het verweerschrift gevoegde rapportage van 9 mei 2008 nog toegelicht dat in de geduide functies altijd onder leiding van bijvoorbeeld een afdelingschef of groepsleider wordt gewerkt en dat appellante bij calamiteiten de leidinggevende kan raadplegen en om hulp vragen. Naar het oordeel van de Raad is hiermee aan de eis van structuur en begeleiding voldaan. Voorts is de Raad van oordeel dat uit de psychiatrische expertise blijkt dat de gezondheidstoestand van appellante wel iets is verbeterd. Zo vermeldt Van Ittersum dat appellante uit het psychiatrisch onderzoek naar voren komt als een adequate, coherente, coöperatieve en vriendelijke vrouw die geen tekenen vertoont van psychose of stemmingsstoornis. Uit de auto anamnese kan worden afgeleid dat appellante tekenen vertoont van een persoonlijkheidsstoornis in de vorm van een borderline stoornis, maar de symptomen van deze stoornis lijken te zijn afgenomen. Appellante heeft dit ook zelf aangegeven. Van Ittersum heeft ook aangegeven dat de prognose van een borderline persoonlijkheidsstoornis niet slecht hoeft te zijn. Zoals ook bij appellante blijken de symptomen bij vorderende leeftijd te verbleken, het is zelfs bekend dat een borderline persoonlijkheidsstoornis grotendeels kan oplossen.

4.2. In zijn verweerschrift heeft het Uwv de opmerking dat er in de FML wel een beperking is opgenomen voor wat betreft het handelingstempo onderschreven. Het Uwv heeft daaraan toegevoegd dat de bezwaararbeidsdeskundige heeft aangegeven dat voor alle geduide functies geldt dat er geen sprake is van een hoog handelingstempo. De Raad onderschrijft die stelling van het Uwv.

4.3. Appellante heeft aan het Uwv gemeld dat het sinds de herkeuring slechter gaat met haar. Dit wordt bevestigd door haar huisarts die in een brief van 14 oktober 2006 meldt dat appellante weer onder psychiatrische behandeling is gekomen. Bezwaarverzekeringsarts Admiraal heeft in de eerder genoemde rapportage van 27 december 2006 opgemerkt dat de gemelde verslechtering duidelijk in relatie staat tot de spanningen die het gevolg zijn van de uitkeringsperikelen. Bij een ieder in een soortgelijke situatie is het invoelbaar dat het verlies van uitkering spanningen met zich meebrengt. Die spanningsklachten kunnen wel geïnterpreteerd worden als een uiting van onwelbevinden maar niet als een psychiatrische stoornis. Namens appellante is aangevoerd dat die opmerking veel te algemeen is en dat zij als gevolg van haar aandoening vele malen heftiger reageert op een dergelijke gebeurtenis dan anderen. Bezwaarverzekeringsarts G.K. Hebly heeft in een bij het verweerschrift gevoegde rapportage van 21 april 2008 aangegeven dat hiermee niet aannemelijk is gemaakt dat het om andere of ernstiger beperkingen dient te gaan. In de FML zijn al ernstige beperkingen aangenomen. Redelijk gestructureerde arbeid in een sociaal weinig belastende omgeving, zou ongeacht de verhevigde symptomen passend zijn. De Raad ziet geen reden om deze stelling van de bezwaarverzekeringsarts Hebly onjuist te achten.

4.4. Bezwaarverzekeringsarts Admiraal heeft in meergenoemd rapport van 27 december 2006 verwezen naar de actuele visie van de ‘Multidisciplinaire richtlijn van psychiatrische aandoeningen’ waarin wordt aangegeven dat arbeid bij een psychiatrische aandoening of stoornis naast begeleiding en therapie effectief is en zeker niet contraproductief. In de bijbehorende ‘module Arbeid en Psyche’ wordt zelfs gesteld dat arbeid een belangrijke voorwaarde is tot herstel. Namens appellante is aan het Uwv verzocht om deze richtlijnen in het geding te brengen, maar het Uwv heeft niet aan dit verzoek voldaan. Namens appellante is aangevoerd dat zij hierdoor in haar processuele belangen is geschaad. De gemachtigde van appellante heeft geprobeerd om deze publicaties via Internet te zoeken, maar is daarin niet geslaagd. De Raad is van oordeel dat de opmerking van de bezwaarverzekeringsarts over deze richtlijnen niet bepalend is geweest voor de vaststelling van de medische beperkingen. Van een situatie dat appellante in haar processuele belangen is geschaad is reeds daarom naar het oordeel van de Raad geen sprake.

4.5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) R.L. Rijnen.

KR