Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4062

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-11-2009
Datum publicatie
23-11-2009
Zaaknummer
08-2187 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. In artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten. Deze bepaling brengt onder meer mee dat een medisch oordeel inzake de beperkingen van een verzekerde dient te zijn gebaseerd op een volledig en voldoende medisch onderzoek. De Raad stelt vast dat het bestreden besluit, in tegenstelling tot de gemaakte afspraken, is genomen zonder dat de rapportage van het RCA, alsook de reactie van appellante hierop, door het Uwv zijn afgewacht en meegewogen. Anders dan de rechtbank, komt de Raad daarom tot het oordeel dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De Raad ziet hierin aanleiding de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. De Raad zal beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten. Appellante is van mening dat uit de rapportage van het RCA volgt dat haar belastbaarheid is onderschat. De Raad stelt vast dat het Uwv alsnog op de onderzoeksbevindingen van het RCA heeft gereageerd en dat ter zitting alle door de neuropsycholoog Vink genoemde beperkingen zijn besproken. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv voldoende uiteengezet waarom de belastbaarheid van appellante niet is onderschat. Voor wat betreft de motivering van de bij deze schatting geduide functies, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om ervan uit te gaan dat de in aanmerking genomen functies niet geschikt zouden zijn voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2187 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 februari 2008, 07/2300 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.G.H.M. de Glas, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben aanvullende stukken ingezonden en op elkaars standpunten gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2009. Voor appellante is haar voornoemde raadsman verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van den Elsaker.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, voorheen werkzaam als verkoopster bij [naam warenhuis], heeft vanaf 1993 een uitkering ontvangen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) vanwege een hersenkneuzing (contusio cerebri) door een trap van een paard tegen haar hoofd.

1.2. Bij besluit van 20 december 2006 heeft het Uwv de uitkering, die was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 19 maart 2007 ingetrokken.

1.3. Het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij het besluit van 3 mei 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het hiertegen door appellante ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep is namens appellante herhaald dat sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit, nu het Uwv de rapportage van neuropsycholoog M. Vink van het Revalidatie Centrum Amsterdam d.d. 10 mei 2007 (hierna: RCA) niet heeft afgewacht. Ter hoorzitting had het Uwv beloofd deze rapportage, alsook de reactie van appellante hierop, bij zijn besluit op het bezwaar te zullen betrekken. Voorts is bepleit dat deze rapportage het standpunt van appellante ondersteunt dat haar belastbaarheid is onderschat en dat een urenbeperking geïndiceerd is. Ten slotte zijn gronden aangevoerd met betrekking tot de geschiktheid van de functies.

4.1. In artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten. Deze bepaling brengt onder meer mee dat een medisch oordeel inzake de beperkingen van een verzekerde dient te zijn gebaseerd op een volledig en voldoende medisch onderzoek. De Raad stelt vast dat het bestreden besluit, in tegenstelling tot de gemaakte afspraken, is genomen zonder dat de rapportage van het RCA, alsook de reactie van appellante hierop, door het Uwv zijn afgewacht en meegewogen. Anders dan de rechtbank, komt de Raad daarom tot het oordeel dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De Raad ziet hierin aanleiding de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. De Raad zal beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten.

4.2. Appellante is van mening dat uit de rapportage van het RCA volgt dat haar belastbaarheid is onderschat. De Raad stelt vast dat het Uwv alsnog op de onderzoeksbevindingen van het RCA heeft gereageerd en dat ter zitting alle door de neuropsycholoog Vink genoemde beperkingen zijn besproken. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv voldoende uiteengezet waarom de belastbaarheid van appellante niet is onderschat. In dit verband neemt de Raad voorts in aanmerking dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) in bezwaar is aangepast vanwege appellantes buikklachten en dat genoegzaam is onderbouwd waarom er geen aanleiding meer is om een urenbeperking in de FML op te nemen. Vastgesteld kan worden dat de FML voldoende rekening houdt met de klachten en beperkingen van appellante.

4.3. Voor wat betreft de motivering van de bij deze schatting geduide functies, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om ervan uit te gaan dat de in aanmerking genomen functies niet geschikt zouden zijn voor appellante. Indien de functie portier, toezichthouder (sbc-code 342021) zou moeten afvallen vanwege een ontoelaatbare relativering, resteren er voldoende functies om de schatting op te baseren en blijft de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15%.

4.4. Gelet op het voorgaande komt de Raad tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van het besluit van 3 mei 2007 geheel in stand kunnen blijven.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep, op € 644,- voor verleende rechtbijstand in hoger beroep en op € 21,78 voor reiskosten, in totaal een bedrag van € 1.309,78.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 3 mei 2007 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 3 mei 2007 geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.309,78;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 146,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2009.

(get.) R.C. Stam.

(get.) T.J. van der Torn.

IvR