Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4056

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2009
Datum publicatie
23-11-2009
Zaaknummer
05-6386 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WAZ-uitkering zijnde een jaar voor de aanvraag. Afwijzing verzoek om verhoging. De rechtbank heeft uitvoerig gemotiveerd waarom zij tot het oordeel is gekomen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zich ten aanzien van appellante geen bijzonder geval als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de WAZ, heeft voorgedaan om af te wijken van de hoofdregel dat de uitkering niet vroeger ingaat dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag om de toekenning van de uitkering werd ingediend. Voorts is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet voldeed aan alle voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor een verhoging van haar WAZ-uitkering naar 100% van de grondslag. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank die gronden afdoende besproken en heeft zij genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad ziet geen aanleiding tot inwilliging van het ter zitting herhaalde verzoek om aanhouding ten einde nadere stukken te kunnen inbrengen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de behandeling van de zaak ter zitting van 28 september 2007 op verzoek van appellante is uitgesteld, omdat zij haar stellingen met een psychiatrische expertise wenste te onderbouwen. Van deze gelegenheid heeft zij echter geen gebruik gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6386 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 21 september 2005, 04/1191 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2009. Voor appellante is verschenen mr. L.M. Verkooijen, advocaat te Den Haag. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van het Uwv van 8 september 2004 ongegrond verklaard.

1.2. Bij dat besluit heeft het Uwv, beslissende op bezwaar, het besluit van 10 juli 2003 gehandhaafd, waarbij appellante met ingang van 30 november 1999, zijnde een jaar voor de aanvraag, een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) is toegekend. Bij het besluit van 8 september 2004 heeft het Uwv tevens gehandhaafd het besluit van 7 augustus 2003, waarbij het verzoek om verhoging van de uitkering wegens hulpbehoevendheid is afgewezen.

1.3. De rechtbank heeft uitvoerig gemotiveerd waarom zij tot het oordeel is gekomen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zich ten aanzien van appellante geen bijzonder geval als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de WAZ, heeft voorgedaan om af te wijken van de hoofdregel dat de uitkering niet vroeger ingaat dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag om de toekenning van de uitkering werd ingediend. Voorts is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet voldeed aan alle voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor een verhoging van haar WAZ-uitkering naar 100% van de grondslag.

2. Appellante heeft in hoger beroep de gronden die zij ook reeds in beroep heeft aangevoerd herhaald. Tevens heeft zij verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld nadere bewijsstukken met betrekking tot haar hulpbehoevendheid in te dienen.

3.1. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank die gronden afdoende besproken en heeft zij genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen.

3.2. De Raad ziet geen aanleiding tot inwilliging van het ter zitting herhaalde verzoek om aanhouding ten einde nadere stukken te kunnen inbrengen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de behandeling van de zaak ter zitting van 28 september 2007 op verzoek van appellante is uitgesteld, omdat zij haar stellingen met een psychiatrische expertise wenste te onderbouwen. Van deze gelegenheid heeft zij echter geen gebruik gemaakt.

3.3. Het hoger beroep van appellante treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

3.4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) T.J. van der Torn.

TM