Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4033

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2009
Datum publicatie
24-11-2009
Zaaknummer
08-5077 WAO + 08-7283 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Geen schending van artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Geen sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid ten opzichte van WAO-gerechtigden die nog niet zijn herbeoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/5077 WAO + 08/7283 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 17 juli 2008, 07/1789 (hierna: aangevallen uitspraak I) en van 8 december 2008, 08/354 (hierna: aangevallen uitspraak II),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.T. Meijhuis, verbonden aan SRK Rechtsbijstand, in beide gedingen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2009. Namens appellant is verschenen mr. Meijhuis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.H. Rebel.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij aangevallen uitspraak I heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van het Uwv van 13 september 2007 ongegrond verklaard. Bij dat besluit heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 oktober 2006 waarbij de

WAO-uitkering van appellant met ingang van 10 december 2006 is ingetrokken, gegrond verklaard en bepaald dat de uitkering wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.2. Toetsend aan het Schattingsbesluit (aSb) zoals dit vanaf 1 oktober 2004 geldt, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat aan het besluit van 13 september 2007 een voldoende zorgvuldige medische voorbereiding ten grondslag ligt. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag is de rechtbank van oordeel dat genoegzaam is vast komen te staan dat appellant op de datum in geding in staat was de bij de schatting betrokken functies te vervullen.

1.3. Bij aangevallen uitspraak II heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van het Uwv van 29 januari 2008 ongegrond verklaard. Bij dat besluit heeft het Uwv, beslissende op bezwaar, het besluit van 13 september 2007 gehandhaafd, waarbij de uitkering van appellant met ingang van 22 februari 2007 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

1.4. Toetsend aan het Schattingsbesluit (oSb) zoals dit vóór 1 oktober 2004 gold, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat aan het besluit van 29 januari 2008 een voldoende zorgvuldige medische voorbereiding ten grondslag ligt. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag is de rechtbank van oordeel dat genoegzaam is vast komen te staan dat appellant op de datum in geding in staat was de bij de schatting betrokken functies te vervullen.

2. Zoals door de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad is bevestigd, is het hoger beroep beperkt tot de ook in beroep aangevoerde grieven tegen de herbeoordeling van appellants mate van arbeidsongeschiktheid op basis van het aSb over de periode van 10 december 2006 tot 22 februari 2007 en de - in de visie van appellant willekeurige - ingangsdatum van de herbeoordeling per 22 februari 2007. Appellant stelt zich op het standpunt dat over de periode 1 oktober 2004 tot 22 februari 2007 sprake is van onredelijke en ongemotiveerde wetgeving, dat er sprake is van schending van artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) en dat sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid ten opzichte van WAO-gerechtigden die nog niet zijn herbeoordeeld.

3.1. Met betrekking tot de stelling van appellant dat ten onrechte herbeoordeling op basis van het aSb heeft plaatsgevonden verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 22 april 2009 (LJN BH0312). De stelling van appellant dat sprake is van schending van artikel 1 van het EP treft evenmin doel. De Raad wijst in dit verband op zijn uitspraak van 23 juli 2009 (LJN BJ4397). Dat de herbeoordeling van appellant eerder heeft plaatsgevonden dan van (een deel van) zijn leeftijdgenoten maakt evenmin dat sprake is van een “individual and excessive burden” voor appellant. Een dergelijk verschil is immers inherent aan de uitvoeringspraktijk, aangezien niet iedereen op hetzelfde moment kan worden beoordeeld en niet ieder Uwv-kantoor tegelijk dezelfde leeftijdsgroep kan oproepen en beoordelen.

3.2. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de hoger beroepen niet slagen en dat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

3.3. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) T.J. van der Torn.

EK