Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4030

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-11-2009
Datum publicatie
24-11-2009
Zaaknummer
09/418 WSF + 09/767 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening recht op studiefinanciering. Twee vorderingen, wegens teveel verstrekte studiefinanciering en onterecht OV-kaartbezit omdat appellant niet stond ingeschreven als student voor het volgen van een voltijdse opleiding. Geen toepassing hardheidsclausule. De omstandigheid dat appellant simpelweg vergeten is zich tijdig in te schrijven, komt volledig voor zijn rekening en risico. Rechtsbijstand door rechtsbijstandverlener met een nauwe familierelatie. De omstandigheid dat de vader als advocaat in overige procedures voor cliënten wel beroepsmatig als rechtsbijstandverlener optreedt, maakt dit niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/418 WSF en 09/767 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 januari 2009, 08/338

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de IB-Groep.

Datum uitspraak: 20 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft zijn vader [naam vader], advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld. De IB-Groep heeft eveneens hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn vader. De IB-Groep was vertegenwoordigd door

drs. P.M.S. Slagter.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 9 januari 2008 heeft de IB-Groep, beslissend op bezwaar, haar besluiten van 15 juni 2007 gehandhaafd waarbij over de periode van 1 september 2006 tot 1 februari 2007 het recht op studiefinanciering van appellant is herzien en twee vorderingen, wegens teveel verstrekte studiefinanciering en onterecht OV-kaartbezit, aan appellant zijn opgelegd, omdat hij in bovengenoemde periode niet stond ingeschreven als student voor het volgen van een voltijdse opleiding als bedoeld in artikel 2.8 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Voor een overzicht van de wettelijke bepalingen die van belang zijn voor de beoordeling van het besluit van de IB-Groep, verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

2.1. Appellant heeft in beroep – voor zover relevant voor de procedure in hoger beroep – aangevoerd dat de IB-Groep hem in de bezwaarfase ten onrechte niet heeft gehoord. Verder is gesteld dat hij vanaf september 2000 geneeskunde heeft gestudeerd aan de Rijks Universiteit Groningen (RUG) en terzake stond ingeschreven. Met ingang van september 2006 is appellant co-schappen gaan doen in Deventer. Hij heeft er niet aan gedacht zich in september 2006 in te schrijven voor het studiejaar 2006-2007. Van de RUG heeft hij destijds geen verzoek om herinschrijving ontvangen. Appellant heeft de RUG verzocht om met terugwerkende kracht per 1 september 2006 te worden ingeschreven als student geneeskunde. Uiteindelijk is een schikking met de RUG getroffen inhoudende dat de door appellant in de periode van 1 september 2006 tot

1 februari 2007 behaalde resultaten geldig zijn als had hij op reguliere wijze deelgenomen aan de voorgeschreven onderwijs- en examenverplichtingen van de opleiding op basis van een reguliere inschrijving voor het studiejaar 2006-2007, zoals expliciet verwoord in de brief van de RUG van 12 oktober 2007. Appellant stelt zich op het standpunt dat daarmee ook de onderbreking in de inschrijvingsperiode van 1 september 2006 tot 1 februari 2007 is geheeld. Appellant heeft immers hiermee bewezen dat hij in de periode van 1 september 2006 tot 1 februari 2007 feitelijk studerende was. Het ingeschreven staan is een formeel criterium, maar dat wordt excessief formalistisch gehanteerd als bewezen is dat sprake was van feitelijk studeren. Ter zitting heeft appellant voorts subsidiair het standpunt ingenomen dat de IB-Groep in de schikking met de RUG aanleiding had behoren te vinden om de hardheidsclausule toe te passen.

2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 9 januari 2008 gegrond verklaard, dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven en beslissingen gegeven over proceskosten en griffierecht.

2.3. Aan de beslissing van de rechtbank om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten, liggen de volgende overwegingen – waarin appellant is aangeduid als eiser en de IB-Groep als verweerster – ten grondslag:

“7. De rechtbank stelt vast dat het geschil zich toespitst op de vraag of de overeenkomst van eiser met de RUG, zoals onder meer verwoord in de brief van de RUG d.d. 12 oktober 2007, kan worden aangemerkt als inschrijving, c.q. deze kan vervangen. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Uit voormelde regelgeving vloeit voort dat inschrijving voor een opleiding één van de voorwaarden is voor het verkrijgen van studiefinanciering (inclusief OV-kaart). In de Wsf 2000 zijn geen uitzonderingen op dit vereiste opgenomen. Niet in geschil is dat eiser per 1 september 2006 niet stond ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding. Blijkens de brief van 11 oktober 2007 gaat de RUG niet over tot inschrijving met terugwerkende kracht, omdat de WHW deze mogelijkheid niet biedt. Dat eiser wat betreft zijn onderwijs- en examenresultaten wel is behandeld alsof hij ingeschreven stond, maakt dat niet anders. De rechtbank is derhalve van oordeel dat eiser per 29 augustus 2006 niet stond ingeschreven voor een voltijdse opleiding.

8. In het licht van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerster bevoegd was het recht op studiefinanciering te herzien op grond van het bepaalde in artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000. Op grond van artikel 7.4 van de Wsf 2000 moet eiser het teveel betaalde bedrag aan studiefinanciering terug betalen. Voorts overweegt de rechtbank dat verweerster de OV-schuld conform het bepaalde in artikel 3.27, derde lid, van de Wsf 2000 heeft vastgesteld, terwijl niet gebleken is dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3.27, vierde lid, van de Wsf 2000.

9. Met betrekking tot het betoog van eiser ter zitting dat verweerster aanleiding had behoren te vinden om met toepassing van de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 neergelegde hardheidsclausule af te wijken van de Wsf 2000, overweegt de rechtbank het volgende.

10. In artikel 11.5 van de Wsf 2000 is aan verweerster de bevoegdheid verleend om deze wet in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De hardheidsclausule biedt niet de mogelijkheid om een uitzondering te maken, indien de onverkorte toepassing van de betreffende bepaling in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet. Eisers betoog dat een uitzondering moet worden gemaakt op de wet omdat de overeenkomst tussen hem en de RUG moet worden aangemerkt als inschrijving, kan dan ook niet slagen gelet op het – dwingendrechtelijke – artikel 2.8 van de Wsf 2000.

11. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, concludeert de rechtbank dat verweerster terecht en op goede gronden de studiefinanciering van eiser met ingang van 1 september 2006 heeft herzien en hierbij een tweetal vorderingen wegens teveel ontvangen toelage van in totaal € 3.995,17 en een OV-schuld van in totaal € 680,00 heeft vastgesteld.

12. Tot slot overweegt de rechtbank dat de grief van eiser dat in zijn geval een hoorzitting had moeten plaatsvinden, niet kan slagen. Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb, waarin het recht om in de bezwaarfase te worden gehoord is neergelegd, is namelijk bij artikel 7.3 van de Wsf 2000 niet van toepassing verklaard op onderhavige besluitvorming. Verweerster was dus niet verplicht eiser in de bezwaarfase te horen.”

3.1. Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. Appellant heeft – kort samengevat – aangevoerd:

- dat hij in de bezwaarfase had moeten worden gehoord;

- dat van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens geen sprake is. Appellant heeft slechts vergeten zich opnieuw in te schrijven voor het studiejaar 2006-2007. Verder heeft hij niets onjuist gedaan en heeft hij ook geen onjuiste gegevens verstrekt;

- dat de schikking met de RUG als verwoord in de brieven van de RUG van

11 oktober 2007 en 12 oktober 2007 dient te worden aangemerkt als een vorm van inschrijving althans als een vervanging daarvan. Gezien de brieven van de RUG was de onderbreking van de inschrijving immers materieel gezien volledig geheeld;

- dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan de hardheidsclausule nu hij gezien de schikking met de RUG is behandeld als was sprake van een reguliere inschrijving en de verlate inschrijving tevens verwijtbaar is aan de RUG omdat hij geen uitnodiging tot herinschrijving van de RUG heeft gekregen.

3.2. De IB-Groep stelt zich in het door haar ingestelde hoger beroep op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte een proceskostenveroordeling heeft uitgesproken. Van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is geen sprake als tussen degene aan wie rechtsbijstand wordt verleend en de rechtsbijstandverlener een nauwe familierelatie bestaat. In het onderhavige geval betreft het kosten gemaakt door de vader van appellant, die als gemachtigde van zijn zoon is opgetreden. Verwezen is naar uitspraken van de Raad gepubliceerd onder de LJN-nummers BC3983, BC1460, BG4554 en BG3916.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Hetgeen appellant in zijn hoger beroepschrift heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van de gronden die reeds in beroep zijn aangevoerd. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank deze gronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet tot het door appellant beoogde resultaat leiden.

4.3.1. De Raad voegt hier het volgende aan toe.

4.3.2. De IB-Groep heeft in het verweerschrift in hoger beroep nader uiteengezet waarom zij geen aanleiding ziet om toepassing te geven aan de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 neergelegde hardheidsclausule. De Raad volgt de IB-Groep daarin. Er is niet gebleken van (zeer) bijzondere individuele omstandigheden die nopen tot het buiten toepassing laten van één of meer van de wettelijke bepalingen. De omstandigheid dat appellant simpelweg vergeten is zich tijdig in te schrijven, komt volledig voor zijn rekening en risico.

4.3.3. De Raad stelt voorts vast dat over de periode 1 september 2006 tot 1 februari 2007 aan appellant ten onrechte studiefinanciering is toegekend op basis van het achteraf bezien onjuiste gegeven dat appellant stond ingeschreven conform het bepaalde in artikel 2.8 van de Wsf 2000. Derhalve is voldaan aan de voorwaarde voor herziening als omschreven in artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000.

4.4. Het hoger beroep van appellant treft mitsdien geen doel.

4.5. Het hoger beroep van de IB-Groep treft doel. De aan appellant door zijn vader verleende rechtsbijstand vindt overwegend zijn grond in de tussen hen bestaande nauwe familierelatie zodat van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, onder a, van het Bpb geen sprake is. De omstandigheid dat de vader als advocaat in overige procedures voor cliënten wel beroepsmatig als rechtsbijstandverlener optreedt, maakt dit niet anders.

4.6. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, behoudens de veroordeling van de IB-Groep in de proceskosten.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.E. van Rooij.

EF