Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3934

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
20-11-2009
Zaaknummer
08-2844 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. De Raad is van oordeel dat niet is gebleken van genoegzame aanknopingspunten in objectief-medische zin om appellante te kunnen volgen in de opvatting dat haar beperkingen in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend. De subjectieve klachtenbeleving van appellante kan naar het oordeel van de Raad bij de toepassing van de WAO geen toereikende basis vormen voor het oordeel dat haar medische beperkingen door het Uwv zouden zijn onderschat. Geen medisch deskundige. De Raad twijfelt niet aan de mededeling van de zijde van het Uwv dat de geduide functies voldoende mogelijkheid bieden voor vertreding. Appellante beschikt verder over een Mbo-diploma en voldoet daarom aan de voor de geduide functies gestelde niveau-eis. Vernietiging besluit. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2844 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 2 april 2008, 07/798

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.J. Blekman, werkzaam bij ABVAKABO FNV, afdeling Advocatuur, te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, voorzien van een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts.

Namens appellante is een rapportage van haar medisch adviseur in het geding gebracht.

Desgevraagd is namens appellante afschrift van een eerdere rapportage van haar medisch adviseur ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2009. Namens appellante is verschenen mr. A. van Deuzen kantoorgenoot van mr. Blekman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 16 oktober 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 17 december 2006 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% is.

1.2. Bij besluit van 2 april 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 16 oktober 2006 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 55 tot 65% met ingang van twee maanden na 2 april 2007.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven ter zake van griffierecht en proceskosten.

2.2. De rechtbank heeft met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit vastgesteld dat het Uwv de gezondheidstoestand van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor haar arbeidsvermogen op de datum in geding niet onjuist heeft ingeschat. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat het medisch onderzoek niet met de vereiste zorgvuldigheid is verricht. De rechtbank heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts alsnog informatie bij de behandelend sector heeft opgevraagd en bij de beoordeling heeft betrokken. De enkele niet-onderbouwde stelling van appellante dat het Uwv haar (scala van) klachten en beperkingen heeft onderschat, vormt voor de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Evenmin geeft de rapportage van Medicon Medisch Adviseurs de rechtbank aanleiding voor een ander oordeel, nu het daarin neergelegde (medisch) oordeel niet op grond van (nieuw) lichamelijk onderzoek tot stand is gekomen.

2.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit acht de rechtbank genoegzaam aangetoond dat de belasting in de aan appellante voorgehouden functies blijft binnen de voor haar geldende belastbaarheid. Voorts is de rechtbank van oordeel dat appellante voldoet aan de diploma-eisen van de geduide functies. Nu eerst in de beroepsfase het juiste maatmanloon is gehanteerd en eveneens de juiste weergave van appellantes beperkingen in de zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) tot stand is gekomen, heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd en aanleiding gezien te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar belastbaarheid niet juist is vastgesteld en dat haar gezondheidssituatie in 2006 is verslechterd maar dat zij sindsdien desondanks minder beperkt wordt geacht. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte de rapportage van Medicon niet in de beoordeling betrokken. Uit die rapportage van 12 februari 2008 en uit een rapportage van 25 september 2008 blijkt volgens appellante dat het Uwv meer beperkingen ten aanzien van appellante had moeten aannemen. Appellante acht ten slotte de haar voorgehouden functies niet passend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is van oordeel dat hetgeen appellante in hoger beroep ter zake van de medische grondslag van het bestreden besluit heeft aangevoerd, onvoldoende grond biedt om de rechtbank in haar oordeel niet te volgen. Evenmin als de rechtbank heeft de Raad reden om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan. De Raad is van oordeel dat niet is gebleken van genoegzame aanknopingspunten in objectief-medische zin om appellante te kunnen volgen in de opvatting dat haar beperkingen in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend. De beschikbare medische rapporten van 12 februari 2008 en 25 september 2008, afkomstig van de medisch adviseur A. Krul-van Turenhout van Medicon, bieden voor die opvatting van appellante geen steun. Naar aanleiding van eerstgenoemd rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts F.J.J. van Gulick op 1 juli 2008 gerapporteerd. Hij meent na eigen onderzoek van appellante en kennisname van bevindingen van derden dat appellantes uiteenlopende klachten voldoende zijn gewogen en vertaald naar de voor appellante geldende FML van 7 augustus 2007. Van Gulick concludeert – en de Raad heeft onvoldoende grond om aan de juistheid van die conclusie te twijfelen – dat de informatie van Krul-van Turenhout geen aanleiding geeft tot wijziging van eerder ingenomen standpunten. De Raad overweegt voorts met betrekking tot het rapport van 25 september 2008 dat appellante blijkens dat rapport aan Krul-van Turenhout te kennen heeft gegeven dat haar gezondheidssituatie sinds november 2007 min of meer hetzelfde is gebleven. De subjectieve klachtenbeleving van appellante kan naar het oordeel van de Raad bij de toepassing van de WAO geen toereikende basis vormen voor het oordeel dat haar medische beperkingen door het Uwv zouden zijn onderschat. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet om een medische deskundige te benoemen voor het verrichten van nader onderzoek.

4.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de Raad, uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen, van oordeel dat de functies die aan de onderhavige schatting ten grondslag zijn gelegd, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt en dat in de diverse arbeidskundige rapportages een als genoegzaam aan te merken toelichting is gegeven op de bij de geselecteerde functies aangebrachte signaleringen. De Raad twijfelt niet aan de mededeling van de zijde van het Uwv dat de geduide functies voldoende mogelijkheid bieden voor vertreding. Appellante beschikt verder over een Mbo-diploma en voldoet daarom aan de voor de geduide functies gestelde niveau-eis.

5. Uit het onder 4.1 en 4.2 overwogene volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof

(get.) I.R.A. van Raaij

EF