Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3932

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
23-11-2009
Zaaknummer
08-1569 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering (25 tot 35%). Juistheid FML. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat, gelet op de rapporten van de artsen van het Uwv, naast beperkingen vanwege appellants rugklachten eveneens beperkingen zijn opgenomen wegens de bij appellant aanwezige schouder- en knieklachten. De Raad merkt ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit op dat door appellant in hoger beroep geen objectieve medische gegevens zijn ingebracht die zijn stelling ondersteunen dat hij vanwege zijn klachten zwaarder beperkt is dan aangenomen door het Uwv. Naar het oordeel van de Raad is een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de passendheid van de drie functies die uiteindelijk aan de schatting ten grondslag zijn gelegd. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om de nadere functieduiding door het Uwv voor onjuist te houden. Vernietiging uitspraak. Verklaart beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1569 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 31 januari 2008, 07/629

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft jhr. mr. A.B. van Kinschot hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift, met bijlage, ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde Van Kinschot, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.B. Snoek.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 14 december 2006 (hierna: besluit I) heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80 %, met ingang van 16 november 2005 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2. Bij besluit van 15 december 2006 (hierna: besluit II) heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de WAO met ingang van 8 februari 2007 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van laatst- genoemde datum minder dan 15% is.

3. Bij besluit van 30 mei 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen besluit I ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen besluit II heeft het Uwv gegrond verklaard en aan appellant is daarbij meegedeeld dat zijn WAO-uitkering met ingang van 8 februari 2007 wordt herzien van 80 tot 100% naar 15 tot 25%.

4. De rechtbank heeft, met beslissingen over griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de herziening van appellants uitkering per 16 november 2005 gegrond verklaard, het bestreden besluit in zoverre vernietigd, het bezwaar tegen besluit I alsnog niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de aangevallen uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank heeft voorts het beroep, voor zover dat betrekking heeft op de mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% per 8 februari 2007 ongegrond verklaard.

5. In hoger beroep heeft appellant zich -samengevat- op het standpunt gesteld dat zijn lichamelijke beperkingen door de artsen van het Uwv zijn onderschat en dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen. Appellant voert voorts aan dat de belasting in de aan hem voorgehouden functies zijn belastbaarheid overschrijdt en dat door het Uwv onvoldoende inzichtelijk is gemaakt waarom de functies voor hem geschikt geacht kunnen worden. Appellant verzoekt de Raad de aangevallen uitspraak, althans het gedeelte waarin het beroep met betrekking tot de mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% per 8 februari 2007 ongegrond wordt verklaard, te vernietigen.

6. De Raad overweegt het volgende.

6.1. De Raad stelt allereerst vast dat de uitspraak van de rechtbank wordt aangevochten voor zover deze betrekking heeft op besluit II.

6.2. Op grond van dezelfde overwegingen als weergegeven in de aangevallen uitspraak heeft de Raad geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de in de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 24 november 2006 neergelegde belastbaarheid van appellant per de in geding zijnde datum. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat, gelet op de rapporten van de artsen van het Uwv, naast beperkingen vanwege appellants rugklachten eveneens beperkingen zijn opgenomen wegens de bij appellant aanwezige schouder- en knieklachten. Voorts is door de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerd aangegeven waarom per de datum in geding geen medische noodzaak wordt gezien voor het aannemen van een urenbeperking. Tot slot merkt de Raad ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit op dat door appellant in hoger beroep geen objectieve medische gegevens zijn ingebracht die zijn stelling ondersteunen dat hij vanwege zijn klachten zwaarder beperkt is dan aangenomen door het Uwv.

6.3. Met betrekking tot de vraag of de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant op juiste gronden voor hem geschikt zijn geacht, overweegt de Raad als volgt. Ten behoeve van de schatting zijn zeven functies geselecteerd, waarvoor appellant geschikt is te achten. Ter zitting is door het Uwv opgemerkt dat een van de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies, te weten Parkinghost met Sbc-code 342022, moet vervallen wegens de in die functie voorkomende belasting ten aanzien van het blootgesteld worden aan uitlaatgassen. Het Uwv acht deze functie, gelet op appellants longklachten, niet langer passend. Voorts is ter zitting door het Uwv gesteld dat de reserve-functie van Chauffeur/Besteller met Sbc-code 111230 aan de onderhavige schatting ten grondslag kan worden gelegd, met als gevolg dat het zogenoemde mediaanloon vastgesteld moet worden op € 9,23. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant moet daardoor per de datum in geding worden vastgesteld op 26,1%, hetgeen leidt tot indeling in de arbeidsongeschikheidsklasse 25 tot 35%. Gelet op de rapportages van de (bezwaar)arbeidsdeskundige is naar het oordeel van de Raad een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de passendheid van de drie functies die uiteindelijk aan de schatting ten grondslag zijn gelegd. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om de nadere functieduiding door het Uwv voor onjuist te houden.

6.4. Gelet op het vorenstaande heeft het Uwv bij het bestreden besluit de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per de datum in geding, te weten, 8 februari 2007, ten onrechte vastgesteld op 15 tot 25%. De Raad zal bepalen, dat appellants mate van arbeidsongeschiktheid op de datum in geding moet worden vastgesteld op 25 tot 35%.

6.5. Hetgeen in 6.1 tot en met 6.4 is overwogen leidt ertoe dat zowel de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, als het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op besluit II, voor vernietiging in aanmerking komen.

7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op besluit II;

Herziet de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de WAO naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% per 8 februari 2007;

Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,-, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H. Bedee en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

IvR