Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3930

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2009
Datum publicatie
23-11-2009
Zaaknummer
07/6941 AKW + 07/6942 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering kinderbijslag toe te kennen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank geheel. Aan appellant is - met inachtneming van zijn betalingen aan het LBIO - met ingang van het vierde kwartaal van 2004 kinderbijslag voor [naam dochter] toegekend. De rechtbank heeft ter zake terecht overwogen dat ook indien rekening zou worden gehouden met de door het LBIO over de periode in geding vastgestelde bijdrage en de overige door appellant aannemelijk gemaakte kosten, niet aan de onderhoudseis is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6941 AKW

07/6942 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 7 november 2007, 06/4274 en 06/5909 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 12 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.L.I.M. van Overloop, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.R. Klaver, kantoorgenoot van mr. Van Overloop. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Bij besluit van 8 mei 2006 heeft de Svb geweigerd aan appellant over de periode van 1 oktober 2003 tot 1 oktober 2004 kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toe te kennen voor zijn dochter [naam dochter], geboren op [in] 1993. Daarbij is aangegeven dat [naam dochter] uitwonend is en niet in belangrijke mate door appellant wordt onderhouden. Een uitwonend kind wordt in belangrijke mate onderhouden als de bijdrage in de onderhoudskosten minimaal € 386,- per kwartaal bedraagt. Over de periode van 1 oktober 2003 tot 1 oktober 2004 is de bijdrage van appellant in het onderhoud van [naam dochter] lager geweest. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 11 mei 2006 heeft de Svb aan appellant met ingang van het vierde kwartaal van 2004 kinderbijslag op grond van de AKW toegekend voor zijn kinderen [naam dochter 2], geboren op [in] 1997, [naam zoon], geboren [in] 2001 en [naam dochter 3], geboren op [in] 2003. Daarbij is voorts aangegeven dat appellant voor [naam dochter] geen recht heeft op kinderbijslag omdat zij uitwonend is en niet in belangrijke mate door hem wordt onderhouden.

1.4. Appellant heeft tegen het besluit van 11 mei 2006 bezwaar gemaakt en aangegeven dat hij zijn dochter [naam dochter] in het vierde kwartaal van 2004 wel degelijk in belangrijke mate heeft onderhouden. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant een afschrift van een brief van 23 februari 2006 van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (hierna: LBIO) overgelegd. Appellant heeft daarbij voorts verzocht aan hem met terugwerkende kracht tot de geboorte van [naam dochter] kinderbijslag toe te kennen.

1.5. Bij besluit van 1 juni 2006 heeft de Svb geweigerd aan appellant voor [naam dochter] kinderbijslag toe te kennen over het tweede kwartaal van 1993 tot en met het derde kwartaal van 2003.

1.6. Bij besluit van 4 augustus 2006 (hierna: bestreden besluit 1) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 juni 2006 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Svb aangegeven dat de aanvraag om kinderbijslag voor [naam dochter] op 19 oktober 2004 is ontvangen en dat geen sprake is van een bijzonder geval dat aanleiding geeft appellants aanspraak op kinderbijslag vast te stellen over perioden gelegen voor een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens welke de aanvraag om kinderbijslag is ingediend.

1.7. Bij besluit van 5 oktober 2006 (hierna: bestreden besluit 2) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 mei 2006 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Svb aangegeven dat [naam dochter] sinds 1993 in een pleeggezin woont en dat niet is gebleken dat appellant [naam dochter] over het vierde kwartaal van 2003 tot en met het derde kwartaal van 2004 in belangrijke mate heeft onderhouden. Daarbij is opgemerkt dat het recht op kinderbijslag per kwartaal wordt beoordeeld en dat per kwartaal aan de onderhoudseis moet worden voldaan. In de situatie waarbij een verzekerde de onderhoudsbijdragen niet kan voldoen terwijl een instelling, in dit geval het LBIO, een vordering op deze persoon heeft, mogen deze onderhoudsbijdragen worden toegerekend aan de kwartalen waarop de vordering betrekking heeft zodra de verzekerde op een later moment alsnog bijdragen gaat betalen aan het LBIO. Na de hoorzitting op 3 augustus 2006 is appellant in de gelegenheid gesteld aanvullende bewijsstukken betreffende de onderhoudsbijdrage over het vierde kwartaal 2003 tot en met het derde kwartaal 2004 in te brengen. Naar aanleiding daarvan heeft de Svb zich nader op het standpunt gesteld dat ook indien de achterstallige aan het LBIO verschuldigde bijdrage aan het vierde kwartaal van 2003 tot en met het derde kwartaal van 2004 zou worden toegerekend, [naam dochter] niet in belangrijke mate door appellant wordt onderhouden. Over het vierde kwartaal 2003 was de aan het LBIO verschuldigde bijdrage € 252,78 en over het eerste kwartaal 2004 tot en met het derde kwartaal 2004 € 259,47. In totaal komt dan de bijdrage in de onderhoudskosten in het vierde kwartaal van 2003 op € 359,78 en in het eerste kwartaal 2004 tot met het derde kwartaal 2004 op € 366,47 per kwartaal.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de besluiten van 4 augustus 2006 en van 5 oktober 2006 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank ten aanzien van het bestreden besluit 1 overwogen dat volgens het beleid van de Svb sprake is van een bijzonder geval:

- indien de belanghebbende door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen;

- indien de belanghebbende onbekend was met zijn mogelijke recht op kinderbijslag en deze onbekendheid verschoonbaar was.

De rechtbank heeft geoordeeld dat deze interpretatie van het wettelijk criterium in de jurisprudentie van de Raad is aanvaard en dat reeds uit het feit dat appellant heeft aangegeven een aantal keren eerder een aanvraag om kinderbijslag voor [naam dochter] te hebben ingediend - welke zijn afgewezen - volgt dat van een bijzonder geval in voornoemde zin geen sprake is. Ten aanzien van bestreden besluit 2 heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken dat appellant [naam dochter] over de periode 1 oktober 2003 tot 1 oktober 2004 in belangrijke mate heeft onderhouden. In de periode van 1 oktober 2003 tot 1 oktober 2004 gold als onderhoudsbijdrage € 386,- per kwartaal. Uit het overzicht van het LBIO van 8 augustus 2006 blijkt dat de door appellant te betalen onderhoudsbijdrage € 252,78 per kwartaal bedroeg. Uit dat overzicht blijkt echter tevens dat appellant in deze periode niets aan het LBIO heeft betaald.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2 In hetgeen in hoger beroep - bij wijze van herhaling van het gestelde in eerste aanleg - is aangevoerd noch anderszins in de voorhanden gegevens heeft de Raad aanknopingspunten gevonden om in een andere zin dan de rechtbank te oordelen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank geheel. Aan appellant is - met inachtneming van zijn betalingen aan het LBIO - met ingang van het vierde kwartaal van 2004 kinderbijslag voor [naam dochter] toegekend. De rechtbank heeft ter zake terecht overwogen dat ook indien rekening zou worden gehouden met de door het LBIO over de periode in geding vastgestelde bijdrage en de overige door appellant aannemelijk gemaakte kosten, niet aan de onderhoudseis is voldaan.

4.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2009.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

mm