Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3924

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
23-11-2009
Zaaknummer
07-5629 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De Raad is van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, te weten productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043) en lederbewerker (SBC-code 272070), gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. De Raad acht voldoende overtuigend toegelicht dat de (totaal)belasting in die functies niet de ten aanzien van appellante aangenomen belastbaarheid voor arbeid overschrijdt. De Raad is wel van oordeel dat het bestreden besluit eerst met de bijgestelde FML van 7 mei 2009 en de rapportage van 25 mei 2009, waarin de bezwaararbeidsdeskundige Eekhoudt een nadere toelichting heeft verstrekt op de bij de functies voorkomende signaleringen, van een voldoende motivering is voorzien. Het bestreden besluit is strijdig met het motiveringsbeginsel. Vernietiging uitspraak. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5629 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 27 augustus 2007, 06/6258

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. van Hunnik, advocaat te Barneveld, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zenuwarts/neuroloog/psychiater C.J.F. Kemperman benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. De deskundige heeft op 20 april 2009 aan de Raad verslag uitgebracht van zijn onderzoek.

Bij brieven van 7 en 25 mei 2009, met als bijlagen een rapport van de bezwaarverzekeringsarts J.A.M.M. Sijben van 7 mei 2009 en een rapport van 25 mei 2009 van de bezwaararbeidsdeskundige H.A.M. Eekhoudt, heeft het Uwv gereageerd op het rapport van Kemperman.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Hunnik. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellante is in 1996 met rugklachten uitgevallen voor haar werk als coördinerend begeleidster. Later hebben zich ook psychische klachten geopenbaard. Per einde wachttijd is appellante in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een wisselende mate van arbeidsongeschiktheid.

1.3. Na een medisch en arbeidskundig onderzoek in het kader van een herbeoordeling is de WAO-uitkering van appellante, welke op dat moment werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, bij besluit van 19 juni 2006 met ingang van 2 augustus 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 9 november 2006.

2. De rechtbank heeft het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich met zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen.

3. Het hoger beroep keert zich – gemotiveerd – tegen het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank.

4. Het Uwv heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad kent doorslaggevende betekenis toe aan het in rubriek I aangehaalde rapport van 20 april 2009 van de deskundige Kemperman. Deze deskundige spreekt ten tijde van zijn onderzoek van een dysthyme stoornis met somatisatie bij een vrouw met een persoonlijkheidsstoornis met velerlei cluster C trekken. Ook destijds lijkt volgens Kemperman sprake te zijn geweest van een dysthyme, depressief getinte, stoornis met somatisatie. Kemperman kan zich slechts ten dele verenigen met de vanwege het Uwv vastgestelde belastbaarheid. Kemperman acht aanvullende (psychische) beperkingen aangewezen. Zo acht Kemperman appellante ook aangewezen op een werksituatie waarin geen hoog handelingstempo is vereist. Dit levert een hogere werkdruk, waardoor de klachten kunnen verergeren. Voorts is appellante, aldus Kemperman, aangewezen op werk waarin zij zo nodig kan terugvallen op een collega of een leidinggevende.

5.2. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. De Raad tekent nog aan dat de gemachtigde van appellante ter zitting te kennen heeft gegeven zich te kunnen stellen achter het rapport van Kemperman. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellante voorts erkend dat er, uitgaande van de juistheid van het oordeel van Kemperman, geen reden is om aan te nemen dat het Uwv de bevindingen en conclusies van Kemperman op onjuiste wijze heeft vertaald in de, in hoger beroep aangepaste, Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 7 mei 2009.

5.3. Op basis van de FML van 7 mei 2009 heeft de bezwaararbeidsdeskundige Eekhoudt de geschiktheid van de voor appellante geselecteerde functies nogmaals beoordeeld. Eekhoudt komt in haar rapport van 25 mei 2009 tot de conclusie dat er voldoende geschikte functies resteren waarop de schatting kan worden gebaseerd, zonder dat dit gevolgen heeft voor de uitkomst van de schatting.

5.4. De onderhavige schatting is uitgevoerd met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). De Raad stelt voorop dat hij al meerdere malen – laatstelijk in zijn uitspraak van 5 december 2008, LJN BG5758 – als zijn oordeel te kennen heeft gegeven dat het CBBS een in beginsel rechtens aanvaardbaar ondersteunend systeem is bij de beoordeling of, en zo ja, in welke mate iemand arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten. Voorts brengt de Raad – met verwijzing naar zijn uitspraak van 12 oktober 2006, LJN AY9971 – in herinnering dat voor ogen dient te worden gehouden dat het CBBS niet meer is dan een hulpmiddel bij de selectie van passende functies door de arbeidsdeskundige en dat het de arbeidsdeskundige is die, zonodig na overleg met de verzekeringsarts, steeds – toereikend gemotiveerd – tot een eindoordeel moet komen.

5.5. De Raad is, anders dan appellante, van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, te weten productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043) en lederbewerker

(SBC-code 272070), gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. De Raad acht voldoende overtuigend toegelicht dat de (totaal)belasting in die functies niet de ten aanzien van appellante aangenomen belastbaarheid voor arbeid overschrijdt. Geconcludeerd is, dat binnen geen van de functies sprake is van een hoog handelingstempo, zodat ook op dit aspect de functies geschikt zijn te achten. De Raad heeft geen reden gezien om aan deze conclusie te twijfelen. Appellantes andersluidende betoog komt in wezen neer op een bestrijding van de juistheid van de aan het CBBS ontleende gegevens. Dienaangaande wijst de Raad op zijn rechtspraak volgens welke in beginsel van de juistheid van de aan dat systeem ontleende gegevens dient te worden uitgegaan (CRvB 27 november 1998, LJN AA3736 en CRvB 8 augustus 2006, LJN AY6390). Indien door een betrokkene de juistheid van deze gegevens van feitelijke aard voldoende gemotiveerd wordt bestreden of indien de rechter zelf aan de juistheid van die gegevens twijfelt, kan van het uitvoeringsorgaan worden verlangd dat het door overlegging van de betreffende gegevens de verificatie daarvan mogelijk maakt. Hetgeen appellante heeft aangevoerd, geeft evenwel onvoldoende aanleiding tot twijfel omtrent de belasting van de geselecteerde functies op het aspect hoog handelingstempo.

5.6. De Raad is wel van oordeel dat het bestreden besluit eerst met de bijgestelde FML van 7 mei 2009 en de rapportage van 25 mei 2009, waarin de bezwaararbeidsdeskundige Eekhoudt een nadere toelichting heeft verstrekt op de bij de functies voorkomende signaleringen, van een voldoende motivering is voorzien. Het bestreden besluit is strijdig met het motiveringsbeginsel en dus door de rechtbank ten onrechte in stand gelaten. De uitspraak komt bijgevolg voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Gelet op hetgeen verder in deze uitspraak is overwogen bestaat er aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 144,- (€ 38,- + € 106,-) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof

(get.) I.R.A. van Raaij

EF