Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3923

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2009
Datum publicatie
23-11-2009
Zaaknummer
07/5506 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op kinderbijslag. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant op grond van het bepaalde in de AKW, zoals die wet sedert de invoering van de Koppelingswet per 1 juli 1998 luidt, in de periode van het derde kwartaal van 1998 tot het vierde kwartaal van 1999 niet verzekerd was voor de AKW, zodat hij over die kwartalen geen recht kon doen gelden op kinderbijslag. De in de uitspraak van 26 juni 2001 geformuleerde gerechtvaardigdheid van de koppelingswetgeving gaat ten volle op voor appellant nu hij – zoals desgevraagd bevestigd in hoger beroep – op 1 juli 1998 niet in procedure was ter verkrijging van een verblijfsvergunning. De Raad is van oordeel dat van een voortdurende band met het gezin in het land van herkomst niet kan worden gesproken. Dit leidt tot de conclusie dat appellant niet één huishouden vormde met zijn gezin in Turkije en dat hij dient aan te tonen dat hij zijn kinderen [naam kind 4] en [naam kind 5] in belangrijke mate heeft onderhouden. Appellant bestrijdt niet dat hij in de in geding zijnde kwartalen niet heeft voldaan aan de krachtens de AKW voorgeschreven onderhoudsbijdrage, zodat moet worden geoordeeld dat terecht over die kwartalen geen kinderbijslag is toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/5506 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 augustus 2007, 06/7303 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 19 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Bozbey, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant en de Svb hebben nog nadere vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2009. Appellant is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van de Nes.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is afkomstig uit Turkije en verblijft sinds november 1987 in Nederland. In mei 1995 is appellant Nederland uitgezet, waarna hij na enkele maanden weer naar Nederland is teruggekomen. Op 1 oktober 1999 heeft appellant een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf op grond van de Tijdelijke regeling voor witte illegalen. Deze aanvraag heeft ertoe geleid dat bij besluit van 31 oktober 2003 aan appellant met ingang van 1 oktober 1999 een verblijfsvergunning is verleend.

1.2. Gebleken is dat appellant tot het tweede kwartaal van 1995 kinderbijslag voor zijn in Turkije verblijvende kinderen heeft ontvangen. Vervolgens heeft appellant in mei 1999 weer kinderbijslag aangevraagd voor zijn kinderen [naam kind 1], [naam kind 2], [naam kind 3], [naam kind 4] en [naam kind 5].

1.3. Bij besluit van 3 april 2001 heeft de Svb die aanvraag afgewezen omdat appellant op grond van zijn verblijfsstatus niet verzekerd was voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

1.4. Bij besluit van 2 april 2002 heeft de Svb geweigerd om terug te komen van het besluit van 3 april 2001.

1.5. Het tegen het besluit van 2 april 2002 ingediende bezwaar heeft de Svb bij besluit van 26 augustus 2002 ongegrond verklaard.

1.6. De hierna gevolgde procedure heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van

23 december 2005 waarin de aangevallen uitspraak van 22 augustus 2003 is vernietigd, het beroep gegrond is verklaard en het besluit van 26 augustus 2002 is vernietigd. Aan de uitspraak van de Raad heeft ten grondslag gelegen de inmiddels bij besluit van 31 oktober 2003 met terugwerkende kracht gewijzigde verblijfsstatus van appellant en de daarop gevolgde beslissing van de Svb om het recht op kinderbijslag van appellant opnieuw te beoordelen.

1.7. Bij besluit van 20 juli 2006 heeft de Svb appellant met ingang van het vierde kwartaal van 1999 tot en met het tweede kwartaal van 2001 als ingezetene aangemerkt en derhalve verzekerd geacht voor de AKW. Vervolgens is het recht op kinderbijslag over die kwartalen beoordeeld. Uit onderzoek is gebleken dat geen recht op kinderbijslag bestaat voor de kinderen [naam kind 1], [naam kind 2] en [naam kind 3]. Wel heeft appellant recht op kinderbijslag voor de kinderen [naam kind 4] en [naam kind 5] over het derde en vierde kwartaal van 2000 en het tweede kwartaal van 2001 omdat appellant over die kwartalen heeft voldaan aan de onderhoudseis. De Svb heeft dienaangaande vooropgesteld dat appellant niet één huishouden met zijn gezin in Turkije vormt en daarom moet aantonen dat hij zijn kinderen in belangrijke mate heeft onderhouden.

2. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij ook over het derde kwartaal van 1998 tot en met het derde kwartaal van 1999 als verzekerd voor de AKW aangemerkt had moeten worden. Voorts is namens appellant aangevoerd dat hij steeds één huishouden met zijn gezin in Turkije is blijven vormen omdat hij altijd contact met het gezin heeft onderhouden en bovendien regelmatig bijdragen voor het onderhoud heeft overgemaakt. Subsidiair is aangevoerd dat appellant aan zijn onderhoudsverplichting heeft voldaan. In de beroepsfase heeft appellant zijn aanspraak op kinderbijslag beperkt tot zijn kinderen [naam kind 4] en [naam kind 5].

3. De rechtbank heeft overwogen dat appellant sedert de invoering van de Koppelingswet per 1 juli 1998 met ingang van het derde kwartaal van 1998 tot en met het derde kwartaal van 1999 niet verzekerd was ingevolge de AKW. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 26 juni 2001 (LJN AB2324) heeft de rechtbank geoordeeld dat afdoende rechtvaardiging voor het in de Koppelingswet neergelegde onderscheid naar nationaliteit aanwezig is omdat appellant niet valt onder de in die uitspraak genoemde uitzonderingscategorie, nu hij voor 1 juli 1998 geen reguliere verzekeringspositie had verworven en voorts niet is gebleken dat hij op 1 juli 1998 in procedure was om een verblijfsvergunning te verkrijgen. Wat betreft het recht op kinderbijslag over de periode vanaf het vierde kwartaal van 1999 tot en met het tweede kwartaal van 2001 heeft de rechtbank overwogen dat de Svb, gelet op de feiten en omstandigheden van het geval, terecht het standpunt heeft kunnen innemen dat in de aan de orde zijnde kwartalen geen sprake was van een huishouden van appellant met zijn gezin in Turkije. Daarbij is van belang geacht dat appellant reeds lange tijd in Nederland verblijft en hij zijn gezin voor het laatst in 1995 heeft bezocht. Hieruit volgt dat appellant moet aantonen dat hij zijn kinderen in belangrijke mate heeft onderhouden. Appellant heeft dit onderhoud niet aangetoond met betrekking tot de nog in geschil zijnde kwartalen en derhalve geen recht op kinderbijslag over die kwartalen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Tussen partijen is ten eerste in geschil de vraag of appellant in de periode van 1 juli 1998 tot 1 oktober 1999 verzekerd moet worden geacht ingevolge de AKW. Met betrekking tot de periode vanaf het vierde kwartaal van 1999 tot en met het tweede kwartaal van 2001 is in geschil de vraag of appellant één huishouden met zijn gezin in Turkije is blijven vormen en, zo niet, of hij in het vierde kwartaal van 1999, het eerste en tweede kwartaal van 2000 en het eerste kwartaal van 2001 geen recht heeft op kinderbijslag voor de kinderen [naam kind 4] en [naam kind 5] omdat hij in die kwartalen niet in belangrijke mate heeft bijgedragen in hun onderhoud.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant op grond van het bepaalde in de AKW, zoals die wet sedert de invoering van de Koppelingswet per 1 juli 1998 luidt, in de periode van het derde kwartaal van 1998 tot het vierde kwartaal van 1999 niet verzekerd was voor de AKW, zodat hij over die kwartalen geen recht kon doen gelden op kinderbijslag. De in de uitspraak van 26 juni 2001 geformuleerde gerechtvaardigdheid van de koppelingswetgeving gaat ten volle op voor appellant nu hij – zoals desgevraagd bevestigd in hoger beroep – op 1 juli 1998 niet in procedure was ter verkrijging van een verblijfsvergunning.

4.3. Ook met betrekking tot de periode vanaf het vierde kwartaal van 1999 sluit de Raad zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat appellant geen huishouden meer vormde met zijn gezin in Turkije.

4.4. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad ziet de term “huishouden” naar algemeen spraakgebruik en in de regel ook voor de toepassing van de AKW op de feitelijke situatie van gezamenlijk wonen. Indien in die situatie een – voorlopig – blijvende breuk is ontstaan, staat die eraan in de weg om nog van een huishouden te spreken. Ten aanzien van buitenlandse werknemers, die hun gezin achterlaten in het land van herkomst, kan onder omstandigheden aangenomen worden dat zij één huishouden met dat gezin zijn blijven vormen. In de Beleidsregels Svb 1999 staat hierover het volgende vermeld: “Indien de verzekerde in verband met werk naar Nederland is gekomen en zijn gezin in het land van herkomst heeft achtergelaten kan hij met zijn gezin nog een huishouden blijven vormen. Wel zal de betrokkene een voortdurende band met zijn gezin moeten hebben, hetgeen moet blijken uit regelmatige contacten.” Dit beleid is tot 1 januari 2001 ongewijzigd gebleven. Nadien is beleid van kracht geworden waarin – kort gezegd – is neergelegd dat het ingezetenschap van Nederland van een betrokkene aan het voortbestaan van een huishouden in het land van herkomst een einde maakt.

4.5. In aanmerking genomen dat appellant sedert 1987 in Nederland verblijft en dat hij slechts in 1995, derhalve geruime tijd voor de periode in geding, enkele maanden bij zijn gezin in Turkije heeft verbleven, is de Raad van oordeel dat van een voortdurende band met het gezin in het land van herkomst niet kan worden gesproken. Dit leidt tot de conclusie dat appellant niet één huishouden vormde met zijn gezin in Turkije en dat hij dient aan te tonen dat hij zijn kinderen [naam kind 4] en [naam kind 5] in belangrijke mate heeft onderhouden. Appellant bestrijdt niet dat hij in de in geding zijnde kwartalen niet heeft voldaan aan de krachtens de AKW voorgeschreven onderhoudsbijdrage, zodat moet worden geoordeeld dat terecht over die kwartalen geen kinderbijslag is toegekend.

4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2009.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) B.E. Giesen.

mm