Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3919

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2009
Datum publicatie
20-11-2009
Zaaknummer
08-3004 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens ongeschiktheid, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. De Raad moet vaststellen dat appellante vanaf medio 2000 niet in staat is geweest haar functie volledig te vervullen. Aangenomen moet worden dat die onmogelijkheid niet werd veroorzaakt door ziekte of gebrek. De Raad wijst hierbij op de in de loop der jaren uitgebrachte adviezen en besluiten van het Uwv. Ook de bedrijfsarts heeft in zijn brief van 20 december 2004 aangegeven dat appellantes ongeschiktheid niet is gerelateerd aan de door haar te verrichten werkzaamheden. Appellante heeft voorts berust in haar hersteldmelding per 30 juni 2005 en heeft evenmin gegevens in geding gebracht waaruit moet worden afgeleid dat er bij haar ten tijde in geding wel sprake was van medische redenen op grond waarvan zij haar werkzaamheden niet kon verrichten. Nu appellante, ondanks het ontbreken van een medische reden daarvoor, gedurende een lange periode niet in staat is gebleken haar werkzaamheden te verrichten, heeft zij er ook naar het oordeel van de Raad blijk van gegeven niet te beschikken over de juiste eigenschappen, mentaliteit en instelling om haar functie met de vereiste continuïteit te vervullen. Dit betekent dat de minister bevoegd was appellante te ontslaan op de in het bestreden besluit aangegeven grond. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de minister in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3004 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], thans wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 april 2008, 06/4154 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Justitie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 12 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A.W.E. van Erk- de Rooij, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A. in ’t Veen en N.T. van Dijk, beiden werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het ministerie van Justitie.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Appellante was sedert 1 juni 1999 werkzaam bij de Regionale directie Midden van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) met als standplaats [naam standplaats]. Daar vervulde zij laatstelijk de functie van [naam functie]. Als gevolg van een reorganisatie en sluiting van het kantoor te [naam standplaats] is appellante bij besluit van 18 augustus 2004 met ingang van 13 september 2004 geplaatst in diezelfde functie met als standplaats [Standplaats B]

1.3. Appellante heeft sedert 13 juni 2000 met regelmaat verzuimd, aanvankelijk met RSI-klachten, later tevens met klachten van overspannenheid. Bij besluit van 8 januari 2003 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) geweigerd appellante met ingang van 1 januari 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeids-ongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen op de grond dat appellante niet wegens ziekte of gebrek ongeschikt is voor het verrichten van haar eigen werk. Een tegen dat besluit ingediend bezwaarschrift heeft appellante ingetrokken. Vervolgens is (opnieuw) getracht appellante door middel van geleidelijke werkhervatting te re-integreren in haar eigen functie. Tot een werkhervatting van enige duur heeft dit echter in de periode maart 2003 tot augustus 2004 niet geleid.

1.4. In het licht van de overplaatsing naar [staandplaats B] zijn er in de periode van juni tot september 2004 gesprekken gevoerd met appellante teneinde haar re-integratie in haar nieuwe werkomgeving optimaal te laten verlopen. Appellante heeft in augustus 2004 haar werkzaamheden (deels op arbeidstherapeutische basis) hervat, aanvankelijk voor 4 uur per week, nadien (oktober 2004) uitgebreid naar 11 uur per week.

1.5. Op 30 september 2004 heeft appellante verzocht om vakantieverlof van 27 december 2004 tot en met begin februari 2005. Dit verlof is appellante door de personeelsadviseur ontraden met het oog op haar re-integratie. Daarnaast beschikte appellante over onvoldoende verloftegoed.

Bij brief van 17 november 2004 heeft de minister appellante in kennis gesteld van de aanvraag van een functieongeschiktheidsadvies (hierna: foa) per 6 maart 2005, aangezien appellante op laatstgenoemde datum 24 maanden arbeidsongeschikt zal zijn. Op 18 november 2004 is appellante opnieuw ziek gemeld. Sedertdien heeft zij geen werkzaamheden meer verricht. In een op 4 april 2005 uitgebracht foa oordeelde het Uwv dat appellante niet wegens ziekte of gebrek ongeschikt is voor haar functie.

1.6. Nadat de minister bij brief van 2 maart 2005 het voornemen daartoe kenbaar had gemaakt, is appellante bij besluit van 12 april 2005 met ingang van 1 juli 2005 eervol ontslagen op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (hierna: ARAR), wegens ongeschiktheid voor het door haar beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Bij besluit op bezwaar van 4 juli 2006 is dat ontslag gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft het door appellante tegen laatstgenoemd besluit ingediende beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante niet beschikt over de eigenschappen, mentaliteit en instelling om haar functie goed en met voldoende continuïteit te verrichten en heeft de minister in redelijkheid van zijn ontslagbevoegdheid gebruik kunnen maken.

3. Naar aanleiding van hetgeen door partijen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Na appellantes ziekmelding op 13 juli 2000 zijn er tot medio 2004 verschillende

re-integratiepogingen gedaan. In dat kader is appellante onder meer vergoeding toegekend voor niet door haar ziektekostenverzekeraar vergoede kosten van fysiotherapie, heeft zij stoelmassage ontvangen, heeft er een werkplekonderzoek plaatsgevonden en is appellante in aanmerking gebracht voor een re-integratietraject bij het Rugadviescentrum. Tot een werkhervatting van substantiële omvang en duur in appellantes eigen functie heeft dit niet geleid. Voor appellantes stelling dat die re-integratie door de IND is gefrustreerd, heeft de Raad in de gedingstukken geen bevestiging kunnen vinden. Evenmin kan worden gezegd dat door de IND ongeoorloofde druk op appellante is uitgeoefend. Dat appellante de mogelijke consequenties van langdurig verzuim zijn voorgehouden, kan de Raad, gezien ook de verplichtingen die op de werkgever rusten in het kader van ziekteverzuim-begeleiding, niet onaanvaardbaar achten. Daarbij moet niet uit het oog worden verloren dat de IND van appellante een arbeidsprestatie mocht verlangen, nu zij door het Uwv al vanaf 8 januari 2003 niet arbeidsongeschikt werd geacht voor haar functie, in welk oordeel appellante welbewust heeft berust. Het niet slagen van de re-integratie kan derhalve niet aan de IND worden toegeschreven.

3.2. Appellante is voorts al in 2002 outplacement aangeboden, waar de toenmalige vertegenwoordigers van appellante om hadden verzocht. Dit heeft evenmin tot een plaatsing buiten de IND geleid, omdat partijen het niet eens konden worden over de aan het outplacement te verbinden voorwaarden. Hoewel de Raad het voorstelbaar acht dat appellante zich door de opstelling van de IND, die aan het outplacement een einddatum (lees: ontslagneming per 4 februari 2004) wilde verbinden, onder druk gezet voelde, gaat het de Raad te ver om te stellen dat het mislukken van outplacement uitsluitend de IND valt aan te rekenen.

3.3. Vervolgens is medio 2004 een nieuw re-integratietraject gestart met appellantes plaatsing i[staandplaats B]] Uit hetgeen daarover zowel door appellante als de IND ter zitting is medegedeeld, werd die plaatsing gezien als een soort “laatste kans” om appellante succesvol te re-integreren. Ondanks het feit dat appellante niet wegens ziekte of gebrek buiten staat was die functie te verrichten is er, in samenspraak met de bedrijfs-arts, voor gekozen om appellante zeer geleidelijk haar werk te laten hervatten. Ook heeft er een nieuw werkplekonderzoek plaatsgevonden door een arbo-adviseur. Geconcludeerd moet worden dat ook die re-integratiepoging is mislukt. Opmaat hiertoe vormde de verlofaanvraag van appellante en haar ziekmelding op 18 november 2004, als reactie op een nieuwe foa-aanvraag door de IND.

3.4. De Raad deelt het standpunt van de minister dat appellante met haar verlofaanvraag ervan blijk heeft gegeven haar re-integratie niet serieus te nemen. Van appellante mocht volledige medewerking en inzet worden verwacht teneinde haar re-integratie (nu wel) te laten slagen en zij had zich dienen te realiseren dat een lang verlof tijdens die periode haar re-integratie niet bepaald zou bevorderen. Hierbij weegt dat appellante terecht is voorgehouden dat ook zij een verantwoordelijkheid heeft voor het welslagen van haar

re-integratie.

3.5. Ten aanzien van de foa-aanvraag op 17 november 2004 onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat uit de gedingstukken niet blijkt dat appellante is toegezegd dat er gedurende de re-integratie geen foa-aanvraag zou worden gedaan en evenmin ontslag zou worden aangezegd. Voor hetgeen de bedrijfsarts daarover opmerkt in zijn brief van 20 december 2004 is in de gedingstukken geen bevestiging te vinden. Overigens zou dat ontslag slechts de uren betreffen, waarin appellante op 1 maart 2005 nog niet zou hebben hervat. Appellante had het derhalve in haar macht om de gevolgen van dat ontslag te beperken, en zelfs te voorkomen, door zich ten volle in te zetten voor het welslagen van haar re-integratie. In plaats daarvan heeft die foa-aanvraag ertoe geleid dat appellante zich opnieuw ziek heeft gemeld omdat, zoals zij ter zitting heeft verwoord, de IND in strijd handelde met gemaakte afspraken.

3.6. De Raad moet vaststellen dat appellante vanaf medio 2000 niet in staat is geweest haar functie volledig te vervullen. Aangenomen moet worden dat die onmogelijkheid niet werd veroorzaakt door ziekte of gebrek. De Raad wijst hierbij op de in de loop der jaren uitgebrachte adviezen en besluiten van het Uwv. Ook de bedrijfsarts heeft in zijn brief van 20 december 2004 aangegeven dat appellantes ongeschiktheid niet is gerelateerd aan de door haar te verrichten werkzaamheden. Appellante heeft voorts berust in haar hersteldmelding per 30 juni 2005 en heeft evenmin gegevens in geding gebracht waaruit moet worden afgeleid dat er bij haar ten tijde in geding wel sprake was van medische redenen op grond waarvan zij haar werkzaamheden niet kon verrichten.

3.7. Nu appellante, ondanks het ontbreken van een medische reden daarvoor, gedurende een lange periode niet in staat is gebleken haar werkzaamheden te verrichten, heeft zij er ook naar het oordeel van de Raad blijk van gegeven niet te beschikken over de juiste eigenschappen, mentaliteit en instelling om haar functie met de vereiste continuïteit te vervullen. Dit betekent dat de minister bevoegd was appellante te ontslaan op de in het bestreden besluit aangegeven grond. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de minister in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De Raad sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank op dit punt heeft overwogen.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2009.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

HD