Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3917

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2009
Datum publicatie
23-11-2009
Zaaknummer
08-2665 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is van oordeel dat de rechtbank - ook al kan zij worden gevolgd in haar vaststelling dat appellant geen concrete bewijzen voor door hem geleden schade heeft aangedragen - een te strikte ontvankelijk-heidstoets heeft aangelegd. Voldoende procesbelang. De Raad kan in het faxbericht van naar vorm en inhoud geen bezwaarschrift zien. Appellant heeft echter - mede gelet op het feit dat appellant met zijn bestuursrechtelijke achtergrond geacht mag worden te weten hoe een bezwaar, ook indien dat pro forma is, geformuleerd moet worden en gelet op zijn eigen verklaring hoe een geschrift van zijn hand als bezwaarschrift kan worden herkend - de Raad er niet van kunnen overtuigen dat het college dit faxbericht ten minste als een pro forma bezwaarschrift had behoren op te vatten. appellant heeft, gelet op de in artikel 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn voor het indienen van een bezwaarschrift, niet tijdig bezwaar gemaakt tegen de door hem bestreden taakwijzigingen. Vernietiging besluit. Verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2665 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te ’s-Gravenhage (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 31 maart 2008, 06/8442 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van bestuur van de Open Universiteit Nederland (hierna: college)

Datum uitspraak: 12 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2009. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.G.M. Sluijsmans, werkzaam bij de Open Universiteit Nederland.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als [naam functie] bij de Faculteit [naam faculteit] van de Open Universiteit Nederland. Op 28 april 2005 heeft hij het nieuwe begeleidings-rooster ontvangen voor het studiejaar 2005/2006. Daaruit heeft hij opgemaakt dat het aantal begeleidingsbijeenkomsten in 2005/2006 met de helft was gereduceerd en dat zijn taakbestanddeel begeleiding van de Basiscursus Recht naar een collega was overgeheveld. Appellant heeft hierop gereageerd met een faxbericht van 30 mei 2005 aan de decaan van de faculteit, waarin hij er kennis van gaf niet te kunnen berusten in deze taakwijzigingen.

1.2. Op 14 juni 2006 heeft appellant beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op het faxbericht. Bij uitspraak van 7 september 2006, 06/4930, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage dat beroep gegrond verklaard en het college opgedragen binnen zes weken te beslissen op het bezwaar. Het college heeft in deze uitspraak berust.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 23 oktober 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het college alsnog een besluit genomen naar aanleiding van het faxbericht van 30 mei 2005. Daarbij heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar gericht tegen de reductie van het aantal begeleidingsbijeenkomsten niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar gericht tegen het overhevelen van de begeleiding van de Basiscursus Recht naar een collega-docent ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade heeft geleden door de taakwijzigingen, zodat hij geen procesbelang heeft.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Wat betreft het procesbelang overweegt de Raad dat volgens zijn vaste rechtspraak (CRvB 9 december 2004, LJN AR7791) in een geval als dit het enkele feit dat door de appellant wordt gesteld - en niet op voorhand volstrekt onaannemelijk is - dat tengevolge van het door hem bestreden besluit schade is geleden die hem dient te worden vergoed, voldoende grond vormt om nog een belang van appellant bij een inhoudelijke beoordeling door de administratieve rechter van het geschil en een daaruit mogelijk volgende vernietiging van het bestreden besluit aanwezig te achten. De Raad is van oordeel dat de rechtbank - ook al kan zij worden gevolgd in haar vaststelling dat appellant geen concrete bewijzen voor door hem geleden schade heeft aangedragen - een te strikte ontvankelijk-heidstoets heeft aangelegd. Nu in de omstandigheden van dit geval schade als door appellant gesteld niet bij voorbaat volstrekt onaannemelijk is, had appellant voldoende procesbelang en komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

3.2. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, staat de Raad vervolgens voor de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe overweegt de Raad ambtshalve het volgende.

3.3. Anders dan de rechtbank 's-Gravenhage in haar bovengenoemde uitspraak van 7 september 2006, kan de Raad in het faxbericht van 30 mei 2005 naar vorm en inhoud geen bezwaarschrift zien. Het geschrift betreft, zoals uitdrukkelijk als koptekst is vermeld, een kennisgeving, inhoudend dat de decaan uit het feit dat appellant de data en aanvangstijdstippen van door hem te geven begeleidingsbijeenkomsten heeft aangeleverd, niet mocht afleiden dat hij heeft ingestemd met de taakwijzigingen. Het oordeel dat hier geen sprake was van een bezwaarschrift, vindt bevestiging in een passage uit een geschrift van de hand van appellant in een ander geding tegen de Open Universiteit Nederland, waarover de Raad gelijktijdig uitspraak doet (08/2663), waarin appellant betoogt dat een bepaalde brief door hem juist niet als bezwaarschrift is bedoeld. Appellant schrijft daar: “Dit is een onjuiste voorstelling van zaken. Wanneer verzoeker een bezwaarschrift indient bij verweerder dan wordt - juist om misverstanden te voorkomen - aan iedere pagina ervan de koptekst “bezwaarschrift” toegevoegd.”Desgevraagd heeft appellant ter zitting van de Raad erkend, dat hij met het faxbericht geen bezwaarschrift beoogde, omdat hij er op dat moment “nog niet vol in wilde gaan”, aangezien hem een oplossing was toegezegd. Pas toen bleek “dat het allemaal doorgestoken kaart was”, is hij er vol ingegaan, door beroep in te stellen tegen het uitblijven van een beslissing op dit pro forma bezwaar, aldus appellant.

Appellant heeft echter - mede gelet op het feit dat appellant met zijn bestuursrechtelijke achtergrond geacht mag worden te weten hoe een bezwaar, ook indien dat pro forma is, geformuleerd moet worden en gelet op zijn eigen verklaring hoe een geschrift van zijn hand als bezwaarschrift kan worden herkend - de Raad er niet van kunnen overtuigen dat het college dit faxbericht ten minste als een pro forma bezwaarschrift had behoren op te vatten.

3.4. Uit het vorenstaande volgt dat appellant, gelet op de in artikel 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn voor het indienen van een bezwaarschrift, niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de door hem bestreden taakwijzigingen. Het college had derhalve bij het bestreden besluit het bezwaar in zijn geheel niet-ontvankelijk moeten verklaren.

4. De Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 23 oktober 2006;

Verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

Bepaalt dat het college aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 357,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2009.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

HD