Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3913

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2009
Datum publicatie
23-11-2009
Zaaknummer
08-2663 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. De Raad heeft in zijn uitspraak van 10 januari 2008, LJN BC2243, overwogen dat de voorzitter blijkens de niet meer door appellant weersproken mededeling van het college, een onafhankelijke buitenstaander is die niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het college. De Raad stelt vast dat appellant in dit geding niets naar voren heeft gebracht waaruit zou kunnen blijken dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet langer voldaan werd aan het genoemde vereiste. Meer in het bijzonder ziet de Raad in hetgeen appellant in dit geding nog naar voren heeft gebracht over de gang van zaken bij de benoeming, begin 2006, van een tweetal hoog-leraren - daargelaten of het hier om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden gaat als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb - geen aanleiding om te oordelen dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren terug te komen van zijn besluit van 10 april 2006. Naar vaste jurisprudentie (zie onder meer CRvB 18 september 2008, LJN: BF 1908) is het bestuursorgaan vrij om zijn organisatie naar eigen inzicht in te richten. Geen vergoeding voor onvergoed gebleven arbeidsuren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2663 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 31 maart 2008, 06/9927 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van bestuur van de Open Universiteit Nederland (hierna: college)

Datum uitspraak: 12 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2009. Appellant is in persoon verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.G.M. Sluijsmans, werkzaam bij de Open Universiteit Nederland.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als [naam functie] bij de Faculteit [naam faculteit] van de Open Universiteit Nederland. Bij besluit van 10 april 2006 heeft het college aan appellant bericht dat zijn dienstverband met ingang van 1 augustus 2006 eindigt. Het daartegen door appellant bij brief van 22 mei 2006 gemaakte bezwaar is door hem bij brief van 5 juli 2006 ingetrokken.

1.2. Bij brief van 26 juli 2006 heeft appellant het college verzocht zijn tijdelijke aanstelling die berustte op artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de CAO Nederlandse Universiteiten (1 september 2003 - 31 augustus 2004) met toepassing van artikel 3.9, eerste lid, om te zetten in een aanstelling voor onbepaalde duur. Voorts heeft hij verzocht om toekenning van een financiële vergoeding (als loonnabetaling) voor tot dusverre onvergoed gebleven arbeidsuren, door appellant gemaakt in de periode van 1 augustus 2001 tot 1 juli 2005.

1.3. Op 27 september 2006 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag.

1.4. Bij besluit van 12 oktober 2006 heeft het college de verzoeken van appellant afgewezen.

1.5. Bij brief van 12 december 2006 heeft appellant bij de rechtbank ’s-Gravenhage beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar van 27 september 2006.

1.6. Bij besluit van 16 februari 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het college, overeenkomstig het advies van de Commissie behandeling bezwaren werknemers Open Universiteit Nederland (hierna: commissie), het bezwaar voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar voor zover gericht tegen het besluit van 12 oktober 2006 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

3.1. Ter zitting van de Raad heeft appellant ermee ingestemd, dat de Raad slechts uitspraak doet over zijn grieven met betrekking tot het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag en op zijn bezwaar, indien het hoger beroep van appellant met betrekking tot een van zijn overige grieven gegrond wordt verklaard. De Raad zal derhalve eerst die overige grieven behandelen.

3.2. Met betrekking tot de grief dat de voorzitter van de commissie die advies heeft uitgebracht over het bezwaar van appellant niet zou voldoen aan het vereiste van artikel 7:13, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), stelt de Raad met de rechtbank vast dat appellant deze stelling reeds in een eerder geding tussen partijen heeft opgeworpen. De Raad heeft daarover in zijn uitspraak van 10 januari 2008, LJN BC2243, reeds overwogen dat die voorzitter blijkens de niet meer door appellant weersproken mededeling van het college, een onafhankelijke buitenstaander is die niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het college. De Raad stelt vast dat appellant in dit geding niets naar voren heeft gebracht waaruit zou kunnen blijken dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet langer voldaan werd aan het genoemde vereiste. Deze grief slaagt dus niet.

3.3. Wat betreft het verzoek van appellant tot omzetting van zijn tijdelijke aanstelling in een aanstelling voor onbepaalde duur overweegt de Raad het volgende. Zoals het college en de rechtbank met juistheid hebben vastgesteld, brengt de intrekking door appellant van zijn bezwaar tegen het besluit van 10 april 2006 tot beëindiging van zijn aanstelling mee, dat in rechte vaststaat dat zijn tijdelijk dienstverband op 1 augustus 2006 is geëindigd. Naar vaste jurisprudentie van de Raad houdt een dergelijk besluit tevens in dat de aanstelling niet op enige wijze wordt voortgezet. Aangezien het verzoek van appellant erop neerkomt dat de aanstelling wel moet worden voortgezet, hebben het college en de rechtbank dit verzoek op goede gronden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het in rechte vaststaande besluit van 10 april 2006, dat op één lijn kan worden gesteld met een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

3.4. De rechterlijke toetsing is in dergelijke gevallen in beginsel beperkt tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om terug te komen van het oorspronkelijke besluit. Appellant heeft aan zijn verzoek om toepassing te geven aan 3.9, eerste lid, van de CAO-NU ten grondslag gelegd, dat de omstandigheid die leidde tot een dienstverband voor bepaalde tijd zich niet meer voordeed, nu de financiële situatie van de Open Universiteit Nederland inmiddels verbeterd was. Appellant heeft hiertoe onder meer verwezen naar de gunstige jaarrekening van 2005 en de voor 2006 begrote winst. Volgens appellant hebben het college en de rechtbank ten onrechte geen feiten of omstandigheden aanwezig geacht op grond waarvan op die grond aan appellant een aanstelling voor onbepaalde tijd toekwam.

3.5. De Raad merkt op dat hij in zijn eerdergenoemde uitspraak van 10 januari 2008 een vergelijkbare grief van appellant reeds gemotiveerd heeft verworpen, zij het dat die uitspraak betrekking had op de beëindiging van de aanstelling van appellant met drie uren per week met ingang van 1 augustus 2005. In deze uitspraak gaat het om de beëindiging van de aanstelling van appellant voor de resterende 14 uur per week met ingang van 1 augustus 2006. De Raad ziet geen aanleiding thans anders te oordelen over deze grief. Meer in het bijzonder ziet de Raad in hetgeen appellant in dit geding nog naar voren heeft gebracht over de gang van zaken bij de benoeming, begin 2006, van een tweetal hoog-leraren - daargelaten of het hier om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden gaat als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb - geen aanleiding om te oordelen dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren terug te komen van zijn besluit van 10 april 2006. Naar vaste jurisprudentie (zie onder meer CRvB 18 september 2008,

LJN: BF 1908) is het bestuursorgaan vrij om zijn organisatie naar eigen inzicht in te richten.

3.6. Wat betreft de grief van appellant inzake de afwijzing van het verzoek om een vergoeding voor onvergoed gebleven arbeidsuren die hij zou hebben gemaakt in de periode 1 augustus 2001 tot 1 juli 2005, overweegt de Raad dat appellant ook in hoger beroep niet aannemelijk heeft weten te maken, dat hij in opdracht van het college extra arbeid heeft verricht die - onder welke titel dan ook - alsnog voor vergoeding in aanmerking dient te komen. Ook deze grief slaagt derhalve niet.

3.7. Gelet op het overwogene in 3.1 behoeven de overige grieven van appellant geen bespreking meer.

3.8. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

4. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2009.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

HD