Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3904

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2009
Datum publicatie
20-11-2009
Zaaknummer
08-2477 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte toekenning aanvullende reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer. Terugvordering onverschuldigd betaalde reiskostenvergoeding. De Raad heeft vastgesteld dat de verhuizing van het projectbureau per 1 oktober 2004 niet in relatie stond met de reorganisatie in 2005, maar een direct gevolg was van de verhuizing van het Waterschapskantoor. De regeling is alleen van toepassing op medewerkers waarvan de standplaats als gevolg van de reorganisatie is gewijzigd. Dat appellant in het kader van de reorganisatie een plaatsingsbesluit heeft ontvangen waarin zijn standplaats voor het eerst op schrift was gesteld, kan niet tot de conclusie leiden dat de reorganisatie ten grondslag lag aan zijn standplaatswijziging. De Raad is voorts van oordeel dat het appellant redelijkerwijs duidelijk heeft kunnen zijn dat hij geen recht had op de aanvullende reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer. Geen beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2477 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 28 maart 2008, 07/700, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: minister)

Datum uitspraak: 12 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.F. van Norel, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.P. Klüth, werkzaam bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en B. Kortsmit, werkzaam bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Appellant was werkzaam als [naam functie] bij het projectbureau [naam projectbureau] (hierna: projectbureau) van Rijkswaterstaat [plaatsnaam] van het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Vanwege de nauwe samenwerking van het projectbureau met het Waterschap [naam waterschap], is het projectbureau gehuisvest in het Waterschapskantoor. Als gevolg van de verhuizing van het Waterschapskantoor van [plaatsnaam A] naar [plaatsnaam B] met ingang van 1 oktober 2004, is het projectbureau per 1 oktober 2004 meeverhuisd van [plaatsnaam A] naar [plaatsnaam B] en zo ook de werkplek van appellant.

1.3. In het kader van een reorganisatie van Rijkswaterstaat in 2005 (hierna: reorganisatie), is appellant met ingang van 1 januari 2006 geplaatst in de functie [naam functie B] bij het projectbureau, met als standplaats [plaatsnaam B]. Appellant heeft op 18 februari 2006 verzocht om een aanvullende reiskostenvergoeding op grond van de voor de reorganisatie vastgestelde regeling Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer reorganisatie Rijkswater-staat [plaatsnaam] (hierna: regeling). Deze vergoeding (van ruim € 600,- per maand) is bij besluit van 21 april 2006 met ingang van 1 januari 2006 aan appellant toegekend.

1.4. Bij besluit van 30 november 2006 heeft de minister aan appellant meegedeeld dat hem over de maanden januari tot en met augustus 2006 ten onrechte een aanvullende reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer is toegekend. Daartoe heeft de minister overwogen dat de wijziging van de werkplek van appellant van [plaatsnaam A] naar [plaatsnaam B] per 1 oktober 2004 niet valt onder de reorganisatie zodat appellant geen recht had op een aanvullende reiskostenvergoeding op grond van de regeling. Voorts heeft de minister, zich bewust van zijn fout, de helft van de ten onrechte betaalde vergoeding teruggevorderd, hetgeen neerkomt op 50% van € 3.574,69. Het bezwaar van appellant tegen dat besluit is bij het thans bestreden besluit van 13 juni 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 24 februari 2000, LJN AA5418 en TAR 2000, 50) is een bestuursorgaan op grond van het algemeen rechtsbeginsel dat hetgeen onverschuldigd is betaald kan worden teruggevorderd, bevoegd om tot terug-vordering van het te veel betaalde over te gaan, tenzij andere algemene rechtsbeginselen zich daartegen verzetten. In een situatie waarin de (gewezen) ambtenaar wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij te veel ontving, kan een bestuursorgaan in beginsel hetgeen aan de betrokkene onverschuldigd is betaald gedurende twee jaren na de dag van uitbetaling terugvorderen. Deze termijn kan tot vijf jaren worden verlengd indien de gemaakte fout door toedoen van betrokkene is ontstaan.

3.2. De Raad heeft vastgesteld dat de verhuizing van het projectbureau per 1 oktober 2004 van [plaatsnaam A] naar [plaatsnaam B] niet in relatie stond met de reorganisatie in 2005, maar een direct gevolg was van de verhuizing van het Waterschapskantoor. Nu de regeling alleen van toepassing is op medewerkers waarvan de standplaats als gevolg van de reorganisatie is gewijzigd, heeft de minister terecht overwogen dat appellant geen recht had op een aanvullende reiskostenvergoeding woon-werkverkeer op grond van de regeling. Dat appellant in het kader van de reorganisatie een plaatsingsbesluit heeft ontvangen waarin zijn standplaats [plaatsnaam B] voor het eerst op schrift was gesteld, kan niet tot de conclusie leiden dat de reorganisatie ten grondslag lag aan zijn standplaatswijziging.

3.3. De Raad is voorts van oordeel dat het appellant redelijkerwijs duidelijk heeft kunnen zijn dat hij geen recht had op de aanvullende reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer. In de nieuwsbrief van 9 februari 2006 is immers duidelijk aangegeven dat de regeling betrekking had op standplaatswijziging ten gevolge van de reorganisatie. Appellant was al geruime tijd vóór de reorganisatie van werkplek veranderd. Hieruit volgt dat de minister bevoegd was tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde reiskostenvergoeding over te gaan.

3.4. De wijze waarop de minister van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt kan de rechterlijke toets doorstaan. Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen, omdat - naar appellant niet betwist - de standplaatswijzigingen van de collega’s naar wie hij heeft verwezen, wèl hun oorsprong vinden in de reorganisatie.

4. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2009.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) K. Moaddine.

HD