Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3891

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2009
Datum publicatie
20-11-2009
Zaaknummer
08-2339 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doorbetaling 90% van bezoldiging. De Raad acht op grond van het verhandelde ter zitting niet uitgesloten dat het (volledige) rapport van Bunt door anderen dan uitsluitend het sectorhoofd en het afdelingshoofd is gelezen. Dit een en ander is echter onvoldoende om, objectief bezien, te spreken van buitensporige werkomstandigheden zoals bedoeld in de rechtspraak van de Raad. Appellantes subjectieve beleving kan daarbij immers niet doorslaggevend zijn. Dat appellant in de voorgaande jaren werd gepest en sociaal geïsoleerd vindt geen bevestiging in de overgelegde verslagen van functioneringsgesprekken met appellante. Daarin wordt (ook door appellante) geconstateerd dat de samenwerking met de meeste collega’s goed is en dat appellante tevreden is over de wijze van leidinggeven van haar leidinggevende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2339 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 maart 2008, 07/2150 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zevenaar (hierna: college)

Datum uitspraak: 12 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.A.C. van Etten, advocaat te Arnhem. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.T.J.H. Berns, advocaat te ’s-Hertogenbosch en door G. van Lente, werkzaam bij de gemeente Zevenbergen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was werkzaam als [naam functie] bij de afdeling [naam afdeling] van de gemeente Zevenaar. Op 23 januari 2006 is appellante uitgevallen wegens ziekte. Bij besluit van 17 juli 2006 is appellante meegedeeld dat met ingang van 23 juli 2006 op grond van artikel 7:3 van de Zevenaarse Arbeidsvoorwaarden Regeling (hierna: ZAR) een doorbetaling zal plaatsvinden van 90% van haar bezoldiging. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 19 april 2007.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het bestreden besluit in stand gelaten.

3. Ook in hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de korting ten onrechte is opgelegd, omdat zij ziek is geworden als gevolg van excessieve arbeidsomstandigheden. Het college heeft dit gemotiveerd betwist.

4. De Raad komt, naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 7:3, tweede lid, van de ZAR heeft de ambtenaar bij voortduring van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde arbeidsongeschiktheid gedurende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op doorbetaling van 90% van zijn bezoldiging. Ingevolge het zevende lid van artikel 7:3 behoudt de ambtenaar na afloop van de termijn na zes maanden recht op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging bij arbeidsonge-schiktheid in en door de dienst.

4.2. Niet in geschil is dat appellante arbeidsongeschikt is geworden als gevolg van psychische klachten. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (16 maart 2006, LJN AW2423, TAR 2006, 113) geldt als de ziekte van psychische aard is, allereerst als eis dat vast staat dat de werkzaamheden van de betrokkene of de omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht - objectief beschouwd - een buitensporig karakter hadden. Het ligt daarbij op de weg van de ambtenaar, die in aanmerking wenst te komen voor een aanvulling als hier aan de orde, om voldoende feiten aan te dragen ter onderbouwing van de stelling dat van dergelijke omstandigheden sprake is.

4.3. Appellante heeft gesteld dat haar werkomstandigheden, vooral in de periode na het uitbrengen van het zogenoemde rapport Bunt in oktober 2005, als buitensporig kunnen worden aangemerkt. Voorts heeft appellante gesteld dat vanaf 1999 al sprake was van pesten en sociale uitsluiting, zonder dat de leiding ingreep. Appellante heeft echter - zoals ook de rechtbank heeft geconstateerd - nagelaten voor haar stellingen ook maar een begin van bewijs aan te dragen.

4.4. Uit de gedingstukken komt naar voren dat in verband met gesignaleerde samen-werkingsproblemen op de afdeling [naam afdeling] onderzoek is gedaan naar de kern van de problematiek en mogelijke aangrijpingspunten voor verbetering door organisatieadviseur A.A. Bunt. Deze heeft op 12 oktober 2005 verslag uitgebracht. Appellante was door de resultaten van het onderzoek, voor zover zij op haar eigen rol in het geheel betrekking hadden, ontdaan en er ontstond een arbeidsconflict, zoals kan worden afgeleid uit de gespreksverslagen van 20 december 2005 en 5 januari 2006. Dat appellante door haar leidinggevende werd bedreigd en onder druk gezet kan de Raad daarin niet lezen. Wel acht de Raad op grond van het verhandelde ter zitting niet uitgesloten dat het (volledige) rapport van Bunt door anderen dan uitsluitend het sectorhoofd en het afdelingshoofd is gelezen. Dit een en ander is echter onvoldoende om, objectief bezien, te spreken van buitensporige werkomstandigheden zoals bedoeld in de rechtspraak van de Raad. Appellantes subjectieve beleving kan daarbij immers niet doorslaggevend zijn. Dat appellant in de voorgaande jaren werd gepest en sociaal geïsoleerd vindt geen bevestiging in de overgelegde verslagen van functioneringsgesprekken met appellante. Daarin wordt (ook door appellante) geconstateerd dat de samenwerking met de meeste collega’s goed is en dat appellante tevreden is over de wijze van leidinggeven van haar leidinggevende.

5. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het bestreden besluit stand houdt. Het hoger beroep treft geen doel en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 november 2009.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) K. Moaddine.

HD