Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3890

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2009
Datum publicatie
20-11-2009
Zaaknummer
08-2811 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing om in aanmerking te komen voor een arrangement. De brief van 25 oktober 2006 heeft de minister terecht aangemerkt als een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit dat moet worden beoordeeld in het kader van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Evenals de rechtbank en de minister ziet de Raad in hetgeen appellant naar voren heeft gebracht geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden. Geen beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6, geldigheid: 2009-11-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/39

Uitspraak

08/2811 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 april 2008, 07/4151 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: minister)

Datum uitspraak: 12 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R.J.M.C.I. Janischka, werkzaam bij CNV Publieke Zaak. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.C. Zielhorst, werkzaam bij het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is werkzaam als [naam functie] bij de vestiging Arnhem van de Rijks-gebouwendienst. Bij besluit van 21 november 2005 is de afwijzing van zijn verzoek om deelname aan het FPU+arrangement (ook wel genoemd: de Remkesregeling) gehand-haafd. Appellant heeft tegen dat besluit geen beroep ingesteld.

1.2. Bij uitspraak van 7 september 2006, LJN AY8130, heeft de Raad naar aanleiding van het hoger beroep van twee collega’s van appellant die niet in de afwijzing van hun verzoek hadden berust, beslist dat de betrokken bestreden besluiten geen stand hielden wegens, kort gezegd, strijd met het verbod op willekeur. De minister heeft er ter uitvoering van die uitspraak voor gekozen om aan bedoelde twee collega’s èn aan negen anderen die nog (hoger) beroep hadden lopen tegen hun afwijzing, alsnog een arrangement aan te bieden.

1.3. Appellant heeft de minister onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad bij brief van 25 oktober 2006 verzocht ook hem alsnog voor een arrangement in aanmerking te laten komen. Bij besluit van 2 januari 2007 is hierop, onder toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), afwijzend beslist. Dat besluit is bij het bestreden besluit van 27 augustus 2007 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. De brief van 25 oktober 2006 heeft de minister terecht aangemerkt als een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit dat moet worden beoordeeld in het kader van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Evenals de rechtbank en de minister ziet de Raad in hetgeen appellant naar voren heeft gebracht geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden als bedoeld in deze bepaling. De Raad verwijst naar hetgeen de rechtbank hierover in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. De Raad voegt daaraan nog toe dat het alsnog aanbieden van een arrangement aan de appellanten bedoeld in de uitspraak van 7 september 2006, als (een juiste) uitvoering van die uitspraak moet worden gezien en reeds daarom niet als een nieuw feit kan gelden.

3.2. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen. Er is immers sprake van een rechtens relevant verschil tussen appellant, die in een eerdere afwijzing heeft berust, en zij die dat niet deden en van wie ten tijde van de uitspraak van de Raad van 7 september 2006 nog (hoger) beroep aanhangig was. Dat de minister uitsluitend ook in die gevallen alsnog een arrangement heeft aangeboden en daarvoor een budget heeft vrijgemaakt is niet willekeurig te noemen, maar een gerechtvaardigde keuze, voortkomend uit de terechte verwachting dat al die beroepen zouden slagen. Zo die keuze al als een nieuw feit zou kunnen worden aangemerkt, noopt die niet tot terugkomen van de eerdere afwijzing van het verzoek van appellant.

4. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2009.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) K. Moaddine.

HD