Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3889

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2009
Datum publicatie
24-11-2009
Zaaknummer
04-795 WUBO + 09-3954 WUBO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag na verruimen van anti-hardheidsbepaling. Toekenning toeslag (na arrest van het Hof van 27 oktober 2006, nummer C-192/05), maar geen sprake van causaliteit van longklachten; geen vergoedingen voor niet-gedekte kosten en vervoer voor medische behandelingen en/of consulten in verband met longklachten. Met nader besluit niet geheel tegemoet gekomen. Inzake 04/795 WUBO. De Raad is van oordeel dat het zogeheten “BCS intake verslag” dermate is uitgebreid dat verweerster het verslag terecht heeft kunnen aanmerken als een sociaal rapport. Dit besluit wordt niet langer gehandhaafd.

Inzake 09/3954 WUBO. De Raad ziet aanleiding op te merken dat appellante aan haar aanvraag van 2001 ook longklachten ten grondslag heeft gelegd, hetgeen meebrengt dat bij de afwijzing van die aanvraag impliciet ook die klachten zijn betrokken. Het besluit van 28 mei 2009 is dan ook naar zijn aard een nadere standpuntbepaling ten aanzien van die longklachten en de Raad acht het geraden zich uit te spreken omtrent de causaliteit van de longklachten. Het standpunt van verweerster is in overeenstemming met het medisch advies van de geneeskundig adviseur, de arts, G. Kho. Deze arts heeft op basis van de reeds aanwezige medische gegevens, waaronder informatie van de huisarts van appellante, geoordeeld dat appellante lijdt aan CARA, een constitutionele aandoening, en dat deze longklachten niet in verband kunnen worden gebracht met het oorlogsgeweld. Toewijzing vergoeding van wettelijke rente. Heropening onderzoek omtrent het verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/795 WUBO + 09/3954 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[Appellante], thans wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 12 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard, beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 20 januari 2004, kenmerk BZ 5259, JZ/B70/2003, ten name van appellante gegeven besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: bestreden besluit. Daarbij heeft de gemachtigde verzocht aansluiting te zoeken bij de gedingen 02/2000 WUBO en 03/4567 WUBO ([naam T] en [naam t.H.]) waarin de Raad prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Bij arrest van 27 oktober 2006, nummer C-192/05, heeft het Hof de hiervoor bedoelde prejudiciële vragen beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2009. Daar is namens appellante verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard, en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. In november 2001 heeft appellante, geboren in 1944, bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet, en vergoedingen voor ongedekte medische kosten en vervoer in verband met medische consulten en behandelingen. Appellante heeft haar aanvraag gebaseerd op longklachten en psychische klachten die zij toeschrijft aan haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.

1.1.1. Bij besluit van 5 juni 2003 heeft verweerster erkend dat appellante getroffen is door oorlogsgeweld (te weten internering in Kota Paris ten tijde van de Bersiap-periode) maar op de aanvraag afwijzend beslist omdat appellante ten tijde van de aanvraag gevestigd was in Portugal en daardoor niet voldoet aan de in artikel 3, eerste lid, onder a, (oud) van de Wet gestelde territorialiteitseis, terwijl geen aanleiding bestaat om gebruik te maken van de in artikel 3, zesde lid, (oud) van de Wet gegeven bevoegdheid om wegens klaarblijkelijke hardheid aan die eis voorbij te gaan. Het tegen dat besluit gemaakt bezwaar is bij het bestreden besluit van 20 januari 2004 ongegrond verklaard. Het beroep is bij de Raad bekend onder nummer 04/795 WUBO.

1.2. Een door verweerster aangebrachte verruiming voor het toepassen van de anti-hardheidsbepaling is voor appellante aanleiding geweest in december 2004 bij verweerster een hernieuwde aanvraag in te dienen. Dat heeft ertoe geleid dat verweerster bij besluit van 28 april 2006 appellante op grond van psychische invaliditeit heeft erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en aan haar met ingang van 1 juli 2004 heeft toegekend de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet, een vergoeding voor huishoudelijke hulp voor ten hoogste vier uur per week alsmede een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer (DMV). Tegen dat besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3. In aansluiting op het onder 1.2 genoemde besluit en naar aanleiding van het arrest van het Hof van 27 oktober 2006, nummer C-192/05, heeft verweerster bij het besluit van 28 mei 2009 haar onder 1.1.1 genoemde standpunt herzien en aan appellante over het tijdvak van 1 november 2001 tot 1 juli 2004 alsnog de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet toegekend. De gevraagde vergoedingen voor niet-gedekte medische kosten en vervoer voor medische behandelingen en/of consulten in verband met longklachten, heeft verweerster afgewezen op de grond dat deze longklachten niet aan het oorlogsgeweld kunnen worden toegeschreven.

1.4. Hoewel het besluit van 28 mei 2009 is gepresenteerd als een beslissing op een aanvraag, is de Raad van oordeel, zoals ook namens verweerster ter zitting is aangegeven, dat dit besluit naar zijn aard feitelijk ziet op een wijziging van het onder 1.1.1 genoemde besluit na bezwaar. De Raad zal dan ook, nu met het besluit van 28 mei 2009 niet geheel aan de bezwaren van appellante is tegemoet gekomen, met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het reeds aanhangig beroep tevens aanmerken als mede te zijn gericht tegen dat besluit. Dat beroep is geregistreerd onder nummer 09/3954 WUBO.

1.5. In beroep is namens appellante in de kern aangevoerd dat verweerster ten onrechte geen sociaal rapport heeft laten opmaken zoals wel is voorgeschreven in artikel 36, eerste lid, van de Wet. Voorts is verzocht om vergoeding van kosten van in bezwaar en beroep verleende rechtsbijstand, vergoeding van wettelijke rente en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Met betrekking tot het beroep onder nummer 09/3954 WUBO is namens appellante nog aangevoerd dat appellante zich niet kan verenigen met de door verweerster uitgesproken non-causaliteit van de longklachten.

1.6. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Inzake 04/795 WUBO

2.1.1. Op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wet dient alvorens op een aanvraag te worden beslist, een (sociaal) rapport te worden opgesteld, met als doel het vergaren van gegevens om tot een weloverwogen beslissing te kunnen komen.

2.1.2. De Raad is van oordeel dat het zogeheten “BCS intake verslag”, opgesteld naar aanleiding van een op 15 mei 2002 met appellante gevoerd telefoongesprek, dermate uitgebreid is dat verweerster het verslag terecht heeft kunnen aanmerken als een sociaal rapport. Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster dan ook, anders dan namens appellante is aangevoerd, voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, van de Wet voorgeschreven verplichting. De Raad neemt hierbij tevens in aanmerking dat appellante heeft verklaard zich weinig tot niets te herinneren over de Japanse- en Bersiap-periode en dat zij voor haar oorlogservaringen uitdrukkelijk heeft verwezen naar het sociaal rapport van haar broer.

2.1.3.Gezien het voorgaande ziet de Raad dan ook geen aanleiding het bestreden besluit van 20 januari 2004 wegens strijd met artikel 36, eerste lid, van de Wet te vernietigen.De Raad moet vervolgens wel vaststellen dat verweerster met het onder 1.3 genoemde besluit het bestreden besluit van 20 januari 2004 niet langer heeft gehandhaafd. Dat brengt mee dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en het besluit moet worden vernietigd.

2.1.4. Ten aanzien van het verzoek verweerster te veroordelen in de proceskosten van appellante vanwege in bezwaar en beroep verleende rechtsbijstand, verwijst de Raad naar hetgeen in deze uitspraak onder 6 is overwogen.

2.2. Inzake 09/3954 WUBO

2.2.1. In beroep, zoals ter zitting van de Raad toegelicht, heeft appellante zich hoofdzakelijk gekeerd tegen het niet toekennen van de voorziening van ongedekte medische kosten en vervoerskosten voor medische behandeling en/of consulten. Namens appellante is in dat verband aangevoerd dat verweerster ten onrechte heeft geoordeeld dat de bij appellante aanwezige longklachten geen verband houden met het oorlogsgeweld. Daaromtrent overweegt de Raad als volgt.

2.2.2. Allereerst ziet de Raad aanleiding op te merken dat appellante aan haar aanvraag van 2001 ook longklachten ten grondslag heeft gelegd, hetgeen meebrengt dat bij de afwijzing van die aanvraag impliciet ook die klachten zijn betrokken. Het besluit van 28 mei 2009 is dan ook naar zijn aard een nadere standpuntbepaling ten aanzien van die longklachten en de Raad acht het geraden zich uit te spreken omtrent de causaliteit van de longklachten. Hierbij ziet de Raad zich op grond van de voorhanden zijnde gegevens voldoende voorgelicht om tot een weloverwogen oordeel te kunnen komen.

2.2.3. Naar uit de gedingstukken blijkt, is het standpunt van verweerster in overeen-stemming met het medisch advies van de geneeskundig adviseur, de arts, G. Kho. Deze arts heeft op basis van de reeds aanwezige medische gegevens, waaronder informatie van de huisarts van appellante, geoordeeld dat appellante lijdt aan CARA, een constitutionele aandoening, en dat deze longklachten niet in verband kunnen worden gebracht met het oorlogsgeweld.

2.2.4. De Raad acht het bestreden besluit op grond van dit advies voldoende voorbereid en gemotiveerd. In de voorhanden zijnde medische en andere gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunt gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseur, ingenomen standpunt.

2.2.5. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

3. Met betrekking tot het verzoek om vergoeding van wettelijke rente over de periode 1 december 2001 tot 1 juli 2004 vanwege de nabetaling van de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet is de Raad van oordeel, zoals ook namens verweerster ter zitting is bevestigd, dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. De omstandigheid dat de vertegenwoordiger van verweerster heeft toegezegd zorg te dragen voor het vergoeden van deze vertragingsrente, is voor de Raad aanleiding een veroordeling daartoe achterwege te laten.

4. Ten aanzien van het verzoek om toekenning van schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM door het bestuursorgaan en de Raad, wordt het volgende overwogen.

4.1. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellante gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellante, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) naar voren komt.

4.2. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 9 april 2009 (LJN BI2179) is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee en een half jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 9 april 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar mag duren. De in 4.1 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

4.3. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door verweerster op 8 juli 2003 van het bezwaarschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak zijn zes jaar en ruim vier maanden verstreken. Vanaf de ontvangst door verweerster van het bezwaarschrift van appellante op 8 juli 2003 tot de datum van het bestreden besluit zijn iets meer dan zes maanden verstreken, maar in dit geval is van een te lange behandelingsduur bij verweerster geen sprake. Vanaf de ontvangst door de Raad op 3 februari 2004 van het beroepschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en ruim negen maanden verstreken. Met verwijzing naar het arrest van het EHRM van 7 augustus 1996, R.J.D. 1996-III, No. 12, gaat de Raad er voorshands van uit dat in dit geval een verlenging van de behandelingsduur in beroep vanaf de ontvangst door de Raad van het beroepschrift van appellante tot en met de dag van ontvangst door de Raad op 27 oktober 2006 van het arrest van het Hof van 26 oktober 2006 zoals genoemd onder 1.3 gerechtvaardigd is. Dit betreft een periode van twee jaar en bijna negen maanden. Ook indien met deze periode rekening wordt gehouden, blijft de mogelijkheid open dat sprake is van een te lange behandelingsduur bij de Raad. Aan het voorgaande kan het vermoeden worden ontleend dat, ook indien bij de vaststelling van de redelijke termijn voor de procedure als geheel rekening wordt gehouden met de periode van twee jaar en bijna negen maanden, de redelijke termijn is overschreden en dat deze overschrijding moet worden toegerekend aan de Raad.

5. Aan hetgeen onder 4.3 is overwogen verbindt de Raad de gevolgtrekking dat in deze procedure, met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist omtrent het verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met - eveneens - verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb wijst de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

6. De Raad acht tot slot termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb verweerster te veroordelen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,- voor de kosten van in beroep verleende rechtsbijstand. Het verzoek om vergoeding van de proceskosten wegens in bezwaar verleende rechtsbijstand wijst de Raad af, nu niet is gebleken dat appellante gedurende de bezwaarprocedure een verzoek om vergoeding van de proceskosten heeft ingediend, zoals voorgeschreven in artikel 7:15, derde lid, van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het onder nummer 04/795 WUBO geregistreerde beroep gegrond en vernietigt het besluit van 20 januari 2004;

Verklaart het onder nummer 09/3954 WUBO geregistreerde beroep ongegrond;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,-;

Bepaalt dat verweerster aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt;

Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nummer 09/5954 BESLU ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. Lammerse.

HD