Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3887

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2009
Datum publicatie
23-11-2009
Zaaknummer
08-1481 WUV + 08-1523 WUV + 08-7214 WUV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluit I: de Raad acht doorslaggevend dat appellante en [naam partner] noch bij het begin van de samenwoning, noch bij de aankoop van de gezamenlijke woning de financiële gevolgen van een eventuele scheiding schriftelijk hebben vastgelegd, hetgeen in redelijkheid wel had mogen worden verwacht bij afwijking van de normale verdeling. Besluit II: Op grond van de gedingstukken staat vast, en namens appellante is ook niet betwist, dat de berekeningsbeschikking van 2006 niet een nieuw of nader besluit bevat over het in aanmerking te nemen vermogen. Het bezwaar hiertegen is dan ook terecht door verweerster niet-ontvankelijk verklaard. Besluit III: De Raad is met verweerster van oordeel dat van zodanige nieuwe feiten of omstandigheden geen sprake is. In de kern berust het ingediende verzoek om herziening op dezelfde gegevens en argumenten als eerder in bezwaar aangevoerd tegen de berekeningsbeschikking van verweerster van 31 oktober 2004. Het middel van herziening is niet gegeven als compensatie voor het niet benutten van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen het oorspronkelijke besluit. Beroepen ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/1481 WUV

08/1523 WUV

08/7214 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats], Australië (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 12 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is beroep ingesteld tegen een tweetal besluiten van verweerster van 6 december 2007, respectievelijk met kenmerk BZ 46401, JZ/U80/2007 (hierna: bestreden besluit I) en BZ 46501, JZ/U80/2007 (hierna: bestreden besluit II), en tegen een besluit van verweerster van 30 september 2008, BZ 47652, JZ/C80/2008 (hierna: bestreden besluit III), welke alle zijn genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgings-slachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd, plaatsgevonden op 1 oktober 2009. Voor appellante is daar verschenen mr. T. Huijg, advocaat te Den Haag, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1941, is in 1998 door verweerster aanvaard als vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Bij na bezwaar genomen besluit van 26 april 2002 heeft verweerster het, ingaande 1 februari 2001 bij de berekening van de periodieke uitkering in aanmerking te nemen vermogen van appellante nader vastgesteld op fl 581.328,90 (€ 263.795,55). Daarbij is naar aanleiding van opgaven van appellante in aanmerking genomen dat aan haar ingevolge haar samenwoning en partnerschap met de heer [naam partner] een vermogen is toegevallen van fl. 537.619,31, uit welk vermogen op 3 september 2001 een op beiden naam staande woning alsmede op haar naam gestelde aandelen zijn verworven. Appellante heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend zodat dit rechtens onaantastbaar is geworden.

1.2. Naar aanleiding van de melding van appellante dat de samenwoning met [naam partner] op 18 maart 2002 was beëindigd heeft verweerster bij berekeningsbeschikking van 31 oktober 2004, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 juli 2005, het vermogen van appellante per 1 maart 2002 definitief nader vastgesteld op de helft van het eerder vastgestelde gezamenlijke vermogen van appellante en [naam partner], uitwerkend op een bedrag van € 131.897,78. Hierbij is in aanmerking genomen dat sprake is geweest van een duurzame samenwoning en dat, bij gebreke van een schriftelijke regeling over de wijze van verdeling van het gezamenlijk vermogen na beëindiging van de samenwoning, ervan wordt uitgegaan dat ieder voor de helft rechthebbende is. Dat mondeling is afgesproken, zoals namens appellante naar voren gebracht, dat bij zodanige beëindiging weer de financiële situatie van vóór de samenwoning zou worden hersteld - aan welke afspraak appellante naar haar stelling ook gevolg heeft gegeven - heeft verweerster niet aannemelijk geacht, ook niet op basis van in 2005 opgemaakte, tegenover een Justice of the Peace afgelegde Statutory declarations en van aankoopbescheiden van aandelen. Bij uitspraak van 18 mei 2006, 05/5840 WUV, heeft deze Raad vastgesteld dat het naar aanleiding van laatstgenoemd besluit ingesteld beroep geen betrekking had op de in dit besluit vervatte ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de genoemde berekenings-beschikking, maar op een in dit besluit tevens vervatte primaire beslissing op een verzoek van appellante om toepassing van de in artikel 19, vijfde lid onder c, van de Wet neer-gelegde anti-hardheidsbepaling. Hiermee is, voor zover nu van belang, ook de vaststelling van het vermogen per 1 maart 2002 rechtens onaantastbaar geworden.

1.3. Verweerster heeft het bezwaar van appellante tegen de vermelde, in het besluit van 22 juli 2005 vervatte primaire beslissing over de toepassing van artikel 19, vijfde lid onder c, van de Wet bij bestreden besluit I ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de gestelde vermindering van het vermogen van appellante niet, zoals ingevolge genoemd artikellid vereist, is veroorzaakt door omstandigheden waarop appellante geen invloed heeft kunnen uitoefenen, nu is verzuimd om van tevoren een schriftelijke regeling te treffen over de financiële afwikkeling van een eventuele beëindiging van de relatie zodat van enige gehoudenheid om over te gaan tot teruggave van vermogensbestand-delen niet is kunnen blijken. Dat een zodanige gehoudenheid anderszins, op grond van enig wettelijk voorschrift, zou bestaan acht verweerster evenmin aangetoond.

1.4. Een door appellante ook nog ingediend verzoek om de eerdere berekeningsbeschik-king van 31 oktober 2004 met toepassing van artikel 61, tweede lid, van de Wet te herzien, heeft verweerster afgewezen bij besluit van 6 december 2007, zoals na bezwaar gehandhaafd bij bestreden besluit III. Hiertoe is overwogen, samengevat, dat geen nieuwe gegevens zijn overgelegd die een wezenlijk ander licht werpen op de bij genoemde berekeningsbeschikking in aanmerking genomen situatie.

1.5. Een op gelijke gronden als eerder aan de orde door appellante ingediend bezwaar tegen het in de berekeningsbeschikking van 30 juni 2006, inhoudende een definitieve berekening van de periodieke uitkering van appellante over het jaar 2004, in aanmerking genomen vermogen heeft verweerster bij het bestreden besluit II niet-ontvankelijk verklaard. Overwogen is dat deze berekeningsbeschikking voortborduurt op hetgeen in de berekeningsbeschikking van 31 oktober 2004 reeds is vastgelegd over het in aanmerking te nemen vermogen, zodat van een nieuw besluit daarover geen sprake is.

1.6. In het kader van de ingestelde beroepen is namens appellante uitvoerig betoogd dat wel degelijk sprake is geweest van mondelinge afspraken over de vermogensverdeling bij scheiding, en dat ook mondelinge afspraken dienen te worden nagekomen, en ook zijn nagekomen.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Ten aanzien van bestreden besluit I

Ingevolge artikel 19, vijfde lid onder c, van de Wet geeft negatieve wijziging van het vermogen geen aanleiding tot herziening van de eerder vastgestelde, op de periodieke uitkering te korten vermogensinkomsten, tenzij het vermogen door oorzaken gelegen in factoren waarop de uitkeringsgerechtigde generlei invloed heeft kunnen uitoefenen zodanig is verminderd dat dit tot een klaarblijkelijke hardheid zou leiden.

De Raad is met verweerster van oordeel dat zodanige factoren hier niet aan de orde zijn. Hierbij acht de Raad doorslaggevend dat appellante en [naam partner] noch bij het begin van de samenwoning, noch bij de aankoop van de gezamenlijke woning de financiële gevolgen van een eventuele scheiding schriftelijk hebben vastgelegd, hetgeen in redelijkheid wel had mogen worden verwacht bij afwijking van de normale verdeling.

2.2. Ten aanzien van bestreden besluit II

Op grond van de gedingstukken staat vast, en namens appellante is ook niet betwist, dat de berekeningsbeschikking van 2006 niet een nieuw of nader besluit bevat over het in aanmerking te nemen vermogen. Het bezwaar hiertegen is dan ook terecht door verweerster niet-ontvankelijk verklaard.

2.3. Ten aanzien van bestreden besluit III

Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wet, is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen met zich brengt dat de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of door appellante feiten en omstandigheden in het geding zijn gebracht die verweerster bij het nemen van haar eerdere besluit niet bekend waren en dat besluit in een zodanig ander licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.

De Raad is met verweerster van oordeel dat van zodanige nieuwe feiten of omstandig-heden hier geen sprake is. In de kern berust het nu ingediende verzoek om herziening op dezelfde gegevens en argumenten als eerder in bezwaar aangevoerd tegen de berekeningsbeschikking van verweerster van 31 oktober 2004, hiervoor onder 1.2 genoemd. Het middel van herziening is niet gegeven als compensatie voor het niet benutten van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen het oorspronkelijke besluit.

3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat voor vernietiging van de bestreden besluiten geen grond bestaat zodat de ingestelde beroepen ongegrond moeten worden verklaard.

4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. Lammerse.

HD