Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3881

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
20-11-2009
Zaaknummer
08-357 TW + 08-358 WAO + 08-359 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rapport werknemersfraude. UWV heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante in elk geval sedert 1 augustus 2004 werkzaamheden heeft verricht en in verband daarmee inkomsten heeft gehad die voor het recht op toeslag en de betaling van de WAO-uitkering relevant zijn. Gelet op het feit dat appellante, in strijd met de artikelen 12 van de TW en 80 van de WAO over deze periode geen informatie aan het Uwv heeft verstrekt, heeft het Uwv de inkomsten van appellante schattenderwijs moeten vaststellen. Naar het oordeel van de Raad is dit tot het moment van afsluiting van het onderzoek met de vereiste zorgvuldigheid gebeurd. Het Uwv heeft bij het bestreden besluit 3, voor zover het deze periode betreft, terecht geconcludeerd dat sprake is van onverschuldigd betaalde toeslag en WAO-uitkering en dat ingevolge artikel 20, eerste lid, van de TW, respectievelijk artikel 57, eerste lid, van de WAO tot terugvordering diende te worden overgegaan. Van dringende redenen om van de terugvordering af te zien is de Raad niet gebleken. Wat betreft de periode die ligt na het moment van afsluiting van het onderzoek op 18 juli 2005 en die loopt tot en met 30 november 2006, stelt de Raad vast dat het Uwv ter zake geen onderzoek heeft verricht. De Raad stelt vast dat het Uwv geen nadere, concrete informatie heeft kunnen verschaffen over de contacten van appellante met de in die tijd en eventueel in verband daarmee verkregen inkomsten. De Raad acht hetgeen het Uwv ter zake van de periode na 18 juli 2005 heeft aangevoerd onvoldoende voor de conclusie dat appellante na 18 juli 2005 nog heeft gewerkt bij, althans ten behoeve van de [naam V.O.F.] en aldus relevante inkomsten uit arbeid heeft gehad. Naar het oordeel van de Raad berusten de bestreden besluiten wat de periode na 18 juli 2005 betreft dan ook op een ontoereikende feitelijke grondslag en komen deze besluiten wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking. Vernietiging uitspraak. Nieuwe besluiten op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/357 TW, 08/358 WAO en 08/359 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 november 2007, 07/672, 07/676 en 07/675 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.L. Wittensleger, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met daarbij een afschrift van het besluit van 28 februari 2008, waarbij appellante op en na 1 februari 2005 ongewijzigd voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt geacht. Tevens is daarbij medegedeeld dat appellante met ingang van 1 februari 2007 niet langer inkomsten uit arbeid heeft en dat de uitkering per die datum weer wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij brieven van 28 maart 2008 en 16 juli 2009 heeft het Uwv nadere informatie verschaft.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2009 waar appellante is verschenen met haar advocaat Wittensleger. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante ontvangt sedert 18 april 1981 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 18 april 2003 is haar tevens een toeslag krachtens de Toeslagenwet (TW) toegekend. Naar aanleiding van een anonieme melding bij de afdeling Fraude Preventie en Opsporing heeft het Uwv een onderzoek laten instellen in verband met vermeende werkzaamheden van appellante bij [naam V.O.F.], van welke vennootschap de heer [naam venoot] vennoot is. Uit dit onderzoek, waaronder een verhoor van appellante op 12 juli 2005, is onder andere naar voren gekomen dat zij sinds augustus 2004 op de [naam V.O.F.] aanspreekpunt is voor klanten en daarnaast administratief werk verricht.

2.1. Bij besluit van 6 november 2006 heeft het Uwv de toeslag ingevolge de TW van appellante met ingang van 1 augustus 2004 ingetrokken op de grond dat het inkomen van appellante niet lager is dan 70% van het minimumloon.

2.2. Bij besluit van 7 november 2006 heeft het Uwv met toepassing van artikel 44, eerste lid, van de WAO in verband met inkomsten van appellante de WAO-uitkering per 1 augustus 2004 uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2.3. Bij besluit van eveneens 7 november 2006 heeft het Uwv de uitkeringen ingevolge de WAO en de TW als onverschuldigd betaald teruggevorderd van appellante over de periode van 1 augustus 2004 tot en met 30 november 2006 tot een bedrag van in totaal € 16.948,69.

2.4. De bezwaren die appellante tegen deze drie besluiten heeft gemaakt zijn bij afzonderlijke besluiten van 12 februari 2007 (hierna: bestreden besluit 1, 2, respectievelijk 3) door het Uwv ongegrond verklaard.

2.5. In de aangevallen uitspraak zijn de tegen de bestreden besluiten gerichte beroepen ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij geen werkzaamheden op de [naam V.O.F.] van [naam venoot] heeft verricht, althans dat zij na haar verhoor op 12 juli 2005 nauwelijks nog naar die [naam V.O.F.] is gegaan en voorts geen betalingen heeft ontvangen. Appellante heeft ter zitting onderstreept dat geen (verder) onderzoek heeft plaatsgehad naar de periode na 12 juli 2005. Enkel doordat het Uwv pas in november 2006 de besluiten heeft genomen, terwijl het verhoor reeds op 12 juli 2005 plaatsvond, heeft terugvordering over die gehele periode plaatsgevonden. Naar haar mening mag haar dit lange tijdverloop tot het nemen van de besluiten van 6 en 7 november 2006 niet worden aangerekend.

4. Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1 De Raad is van oordeel dat het Uwv zich op grond van het rapport werknemersfraude van 18 juli 2005, waarin ook de inkomsten van appellante zijn berekend, terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante in elk geval sedert 1 augustus 2004 werkzaamheden voor [naam V.O.F.] heeft verricht en in verband daarmee inkomsten heeft gehad die voor het recht op toeslag en de betaling van de WAO-uitkering relevant zijn. De Raad ziet geen aanleiding door het Uwv daaruit getrokken conclusies over de periode van 1 augustus 2004 tot de datum van afsluiting van het onderzoek op 18 juli 2005 voor onjuist te houden. Hetgeen appellante wat dit betreft naar voren heeft gebracht brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Gelet op het feit dat appellante, in strijd met de artikelen 12 van de TW en 80 van de WAO over deze periode geen informatie aan het Uwv heeft verstrekt, heeft het Uwv de inkomsten van appellante schattenderwijs moeten vaststellen. Naar het oordeel van de Raad is dit tot het moment van afsluiting van het onderzoek met de vereiste zorgvuldigheid gebeurd.Gelet op die inkomsten heeft het Uwv terecht beslist dat appellante over de periode van 1 augustus 2004 tot en met 18 juli 2005 geen recht (meer) heeft op een toeslag en dat dit recht moet worden ingetrokken op grond van artikel 11a van de TW. Uitgaande van de vastgestelde inkomsten uit arbeid heeft het Uwv terecht beslist dat de WAO-uitkering met toepassing van artikel 44, eerste lid, van de WAO over de periode van 1 augustus 2004 tot en met 18 juli 2005 moet worden uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

4.2. Uit het vorenstaande volgt dat het Uwv bij het bestreden besluit 3, voor zover het deze periode betreft, terecht heeft geconcludeerd dat sprake is van onverschuldigd betaalde toeslag en WAO-uitkering en dat ingevolge artikel 20, eerste lid, van de TW, respectievelijk artikel 57, eerste lid, van de WAO tot terugvordering diende te worden overgegaan. Van dringende redenen om van de terugvordering af te zien is de Raad niet gebleken. Het tijdverloop tussen het afsluiten van het onderzoek en het besluit van 7 november 2006 vormt niet een dergelijke reden.

4.3. Wat betreft de periode die ligt na het moment van afsluiting van het onderzoek op 18 juli 2005 en die loopt tot en met 30 november 2006, stelt de Raad vast dat het Uwv ter zake geen onderzoek heeft verricht. In het verweerschrift is in dit verband door het Uwv slechts naar voren gebracht dat uit het dossier blijkt dat appellante op en na 12 juli 2005 niet heeft gemeld dat zij de werkzaamheden voor de [naam V.O.F.] heeft gestaakt, althans dat zij dit niet eerder dan ten tijde van de beroepsprocedure heeft verklaard. Bovendien kan uit de verklaring van appellante dat zij na 12 juli 2005 nauwelijks de [naam V.O.F.] heeft bezocht, naar de mening van het Uwv worden afgeleid dat appellante in die periode daar nog wel kwam. De Raad stelt vast dat het Uwv geen nadere, concrete informatie heeft kunnen verschaffen over de contacten van appellante met de [naam V.O.F.] in die tijd en eventueel in verband daarmee verkregen inkomsten. De Raad acht hetgeen het Uwv ter zake van de periode na 18 juli 2005 heeft aangevoerd onvoldoende voor de conclusie dat appellante na 18 juli 2005 nog heeft gewerkt bij, althans ten behoeve van de [naam V.O.F.] en aldus relevante inkomsten uit arbeid heeft gehad.

Naar het oordeel van de Raad berusten de bestreden besluiten wat de periode na 18 juli 2005 betreft dan ook op een ontoereikende feitelijke grondslag en komen deze besluiten wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking.

4.4. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen brengt de Raad tot het oordeel dat bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ten onrechte ongegrond is verklaard, zodat die uitspraak dient te worden vernietigd.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante voor verleende rechtsbijstand in beroep (€ 644,--) en in hoger beroep (€ 644,--) tot een bedrag van in totaal € 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

Bepaalt dat het Uwv nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 1.288,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal (€ 117,-- + € 106,--) € 223,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H. Bedee en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

IvR