Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3867

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2009
Datum publicatie
20-11-2009
Zaaknummer
08/1712 AW + 08/4104 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij toepassing van dezelfde (volle) toetsingsmaatstaf als de rechtbank heeft gehanteerd, kan de Raad de uitleg die de rechtbank aan het Sociaal Statuut heeft gegeven niet onderschrijven. De rechtbank is ervan uitgegaan dat de inconveniëntentoelage valt onder de relevante salarisaanspraken die op grond van artikel 4, eerste lid, van het Sociaal Statuut worden gegarandeerd. Gezien echter de definitie van het begrip ‘salaris-aanspraken’ is dit onjuist. Toelagen als de onderhavige vallen wel onder het begrip bezoldiging, zodat de garantie loopt via de lijn van de garantie van de bezoldiging. Wat betreft de uitleg van het Sociaal Statuut op het punt van de garantie van de inconveniëntentoelage sluit de Raad zich aan bij de uitleg die van de kant van de provincie Drenthe aan betrokkene is gegeven in het ontslagbesluit van 29 augustus 2002. In dat besluit is vermeld dat het waterschap, “zolang de bedragen (van de inconveniënten-toelage) bij het waterschap lager zijn dan de u gegarandeerde bedragen”, het verschil zal uitkeren. In de bijlage bij het ontslagbesluit is, na het aanhalen van de tekst van artikel 4, eerste lid, van het Sociaal Statuut, vermeld dat betrokkene op grond van het Sociaal Statuut (onder meer) € 107,41 als vuil en onaangenaam werk toelage is gegarandeerd. Deze vermelding is niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Het standpunt van betrokkene dat als algemeen uitgangspunt bij het opstellen van sociale plannen of statuten geldt dat in die plannen afgesproken garantieregelingen worden geïndexeerd, kan de Raad niet onderschrijven. De rechtbank heeft het besluit van 27 februari 2007 ten onrechte vernietigd en ten onrechte appellant opgedragen om een nieuw besluit te nemen. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van betrokkene tegen het besluit van 27 februari 2007 ongegrond verklaren. Gezien dit oordeel van de Raad is tevens de grondslag aan het besluit van 1 juli 2008 ontvallen, zodat de Raad ook dat besluit zal vernietigen. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/40

Uitspraak

08/1712 AW en 08/4104 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het Dagelijks bestuur van het waterschap Reest en Wieden (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 6 februari 2008, 07/322 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant

Datum uitspraak: 12 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft op 1 juli 2008 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Kragten, juridisch adviseur te Hoogeveen, en mr. N. de Lange, werkzaam bij het waterschap Reest en Wieden. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G. M. Boerma, werkzaam bij AbvaKabo FNV.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, die hij op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting als vaststaande aanneemt.

1.1. Betrokkene was werkzaam als muskusrattenvanger in dienst van de provincie Drenthe. Naast zijn salaris ontving hij een inconveniëntentoelage voor vuil en onaangenaam werk van 6% van het maximum van de provinciale salarisschaal 4.Per 1 september 2002 zijn alle muskusrattenbestrijders die tot dan toe in dienst waren van de provincies Drenthe en Overijssel, in dienst getreden bij de verschillende water-schappen in die provincies. Ten behoeve van de overgang van de betrokken personeels-leden is een Sociaal Statuut opgesteld. Betrokkene is bij schrijven van 8 november 2001 vanwege appellant ingelicht over zijn rechtspositie en arbeidsvoorwaarden na de overgang naar het waterschap Reest en Wieden (hierna: waterschap).

1.2. Bij besluit van 29 augustus 2002 is betrokkene per 1 september 2002 ontslagen uit provinciale dienst en bij besluit van diezelfde datum heeft appellant betrokkene aangesteld in dienst van het waterschap. In het aanstellingsbesluit heeft appellant het salaris van betrokkene vastgesteld en voor de overige vergoedingen waarop betrokkene aanspraak kan maken, verwezen naar de onder 1.1 vermelde brief van 8 november 2001. Betrokkene heeft in deze besluiten berust.

1.3. Bij brief van 13 februari 2006 heeft betrokkene het college erop opmerkzaam gemaakt dat er sinds zijn overgang naar het waterschap geen indexatie heeft plaatsgevonden van de inconveniëntentoelage en verzocht deze toelage alsnog in geïndexeerde vorm aan hem uit te betalen.

1.4. Bij besluit van 24 maart 2006 heeft appellant dit verzoek afgewezen op de grond dat volgens de garantieaanspraken van het Sociaal Statuut het op 31 augustus 2002 voor hem geldende bedrag van € 107,41 van de inconveniëntentoelage is gegarandeerd en niet de aanspraak die betrokkene zou hebben als hij in dienst zou zijn gebleven van de provincie Drenthe. Appellant heeft dit besluit, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 27 februari 2007.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met opdracht aan appellant om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat artikel 4, eerste lid, van het Sociaal Statuut naar objectieve maatstaven betekent dat de salarisaanspraken zoals die bestonden voor de overgang naar het waterschap gegarandeerd worden en dat tot die salarisaanspraken een geïndexeerde inconveniëntentoelage behoort.

3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant het in rubriek I genoemde besluit van 1 juli 2008 genomen. Betrokkene kan zich geheel verenigen met de inhoud van dit besluit.

4. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht het volgende.

4.1. De Raad onderschrijft niet het standpunt van appellant dat de rechtbank een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft aangelegd, omdat zij niet heeft onderkend dat betrokkene heeft berust in de besluiten van 29 augustus 2002, waardoor sprake zou zijn van een verzoek om terug te komen van rechtens onaantastbare besluiten. De Raad merkt dienaangaande op dat het aanstellingsbesluit van 29 augustus 2002 van appellant verwijst naar het schrijven van 8 november 2001. Over indexering wordt in het aanstellingsbesluit niet gerept. In het schrijven van 8 november 2001 is slechts sprake van een voorlopige vaststelling van de hoogte van de inconveniëntentoelage. Naar van de kant van betrokkene is aangevoerd was het in het aanstellingsbesluit vermelde bedrag op dat moment juist.De vermelding van de hoogte van de inconveniëntentoelage in het ontslagbesluit van 29 augustus 2002 van de provincie Drenthe doet aan het oordeel van de Raad niet af. Ook in dat besluit is niet gerept over indexering. Voorts is het appellant en niet de provincie die dient te beslissen over de bezoldiging van betrokkene vanaf de datum van overgang naar het waterschap.

4.2. In artikel 4, eerste lid, van het Sociaal Statuut is bepaald dat bij de overgang van het provinciaal personeel naar de waterschappen aan dat personeel de bezoldiging, alsmede de relevante salarisaanspraken, worden gegarandeerd. In artikel 1, aanhef en onder i, van het Sociaal Statuut is bezoldiging gedefinieerd als: het salaris, de toelagen en de vergoedingen die tot het ambtelijk inkomen in de zin van het Pensioenreglement worden gerekend.In artikel 1, aanhef en onder k, van het Sociaal Statuut is het begrip salarisaanspraken gedefinieerd als: de opeenvolgende salarisnummers van de schaal waarin de ambtenaar op het moment van plaatsing is ingedeeld en het uitzicht op de uitloopschaal met inachtneming van het bepaalde in de CAO 2002-2003 provincies.

4.3. Bij toepassing van dezelfde (volle) toetsingsmaatstaf als de rechtbank heeft gehanteerd, kan de Raad de uitleg die de rechtbank aan het Sociaal Statuut heeft gegeven niet onderschrijven. De rechtbank is ervan uitgegaan dat de inconveniëntentoelage valt onder de relevante salarisaanspraken die op grond van artikel 4, eerste lid, van het Sociaal Statuut worden gegarandeerd. Gezien echter de hiervoor vermelde definitie van het begrip ‘salaris-aanspraken’ is dit onjuist. Toelagen als de onderhavige vallen wel onder het begrip bezoldiging, zodat de garantie loopt via de lijn van de garantie van de bezoldiging.

4.4. Wat betreft de uitleg van het Sociaal Statuut op het punt van de garantie van de inconveniëntentoelage sluit de Raad zich aan bij de uitleg die van de kant van de provincie Drenthe aan betrokkene is gegeven in het ontslagbesluit van 29 augustus 2002. In dat besluit is vermeld dat het waterschap, “zolang de bedragen (van de inconveniënten-toelage) bij het waterschap lager zijn dan de u gegarandeerde bedragen”, het verschil zal uitkeren. In de bijlage bij het ontslagbesluit is, na het aanhalen van de tekst van artikel 4, eerste lid, van het Sociaal Statuut, vermeld dat betrokkene op grond van het Sociaal Statuut (onder meer) € 107,41 als vuil en onaangenaam werk toelage is gegarandeerd. Deze vermelding is niet voor tweeërlei uitleg vatbaar.

4.5. Het standpunt van betrokkene dat als algemeen uitgangspunt bij het opstellen van sociale plannen of statuten geldt dat in die plannen afgesproken garantieregelingen worden geïndexeerd, kan de Raad niet onderschrijven. Dit standpunt komt erop neer dat de inconveniëntenregeling zoals die tot 1 september 2002 voor hem bij de provincie Drenthe gold, na zijn indiensttreding bij het waterschap door appellant moet worden voortgezet. Daarvoor is in het Sociaal Statuut geen aanknopingspunt te vinden. Na indiensttreding bij het waterschap wordt immers de arbeidsvoorwaardenregeling van het waterschap van toepassing. Dit betekent dat een afwijking van die arbeidsvoorwaarden-regeling uitdrukkelijk dient te worden aangegeven, zoals (bijvoorbeeld) wel is geschied ten aanzien van de aanspraak op de FPU+-regeling provincies als vermeld in artikel 4, twaalfde lid, van het Sociaal Statuut. Voor uit het veranderde arbeidsvoorwaardenregime voortvloeiende nadelige verschillen worden in het Sociaal Statuut overgangsregelingen getroffen. Zo leidde de overgang naar het waterschap voor betrokkene blijkens het aanstellingsbesluit tot een hogere salarisschaal dan die voor hem tot 1 september 2002 in dienst van de provincie Drenthe gold; zo ook behoudt betrokkene, zolang de inconveniëntentoelage op grond van de Sectorale Arbeidsvoorwaardenregelingen Waterschapspersoneel lager is, het recht op het hem in de bijlage bij zijn ontslagbesluit gegarandeerde bedrag van € 107,41.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt. De rechtbank heeft het besluit van 27 februari 2007 ten onrechte vernietigd en ten onrechte appellant opgedragen om een nieuw besluit te nemen. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van betrokkene tegen het besluit van 27 februari 2007 ongegrond verklaren.

Gezien dit oordeel van de Raad is tevens de grondslag aan het besluit van 1 juli 2008 ontvallen, zodat de Raad ook dat besluit zal vernietigen.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 27 februari 2007 ongegrond;

Vernietigt het besluit van 1 juli 2008.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2009.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

HD