Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3735

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
19-11-2009
Zaaknummer
08-4047 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong-uitkering toe te kennen. Evenmin als de rechtbank heeft de Raad voldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellant op 16 december 1998, zijn 18e verjaardag, heeft overschat. Deze belastbaarheid en de voor appellant geldende beperkingen zijn neergelegd in de FML van 17 november 2006 en is voldoende toegelicht met de zich onder de gedingstukken bevindende rapporten van de (bezwaar)verzekeringsarts. De in hoger beroep overgelegde kritische beschouwing van de FML van psychiater Martens is naar het oordeel van de Raad voldoende gemotiveerd weersproken. Terecht heeft de bezwaararbeidsdeskundige als de aan appellant soortgelijke gezonde persoon (maatman) als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de WAJONG aangemerkt de gymnasiumstudent, die op zijn 18e verjaardag het voor hem geldend minimumloon kan verdienen. Met het uitoefenen van de geduide functies kon appellant op zijn 18e verjaardag het voor hem toen geldend minimumloon verdienen. Hij was op die datum dan ook niet arbeidsongeschikt in de zin van de WAJONG.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4047 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 9 juni 2008, 07/1663 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat te Margraten, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 28 mei 2009 en 26 augustus 2009 heeft de gemachtigde van appellant nadere stukken toegezonden, waarop door het Uwv bij brieven van respectievelijk 6 juli 2009 en 23 september 2009 is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2009, waar appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voorts was de vader van appellant aanwezig. Het Uwv is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. In het voorjaar van 2006 heeft appellant een aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) ingediend. Daarbij heeft hij aangegeven sinds zijn geboorte te lijden aan de stoornis van Asperger. Bij besluit van 13 december 2006 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hem met ingang van 16 december 1998, zijn 18e verjaardag, geen uitkering wordt toegekend omdat hij op en na die datum minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

2. Nadat de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige rapport hadden uitgebracht heeft het Uwv bij besluit van 4 september 2007 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 december 2006 ongegrond verklaard. Tegen het besluit van 4 september 2007, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant beroep bij de rechtbank ingesteld.

3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft, kort gezegd, de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

4.1. Appellant kan zich met deze uitspraak niet verenigen. Hij is van mening dat het Uwv zijn belastbaarheid en dus ook zijn mogelijkheden tot het functioneren in arbeid heeft overschat. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar een rapport van 4 december 2007 van de psychiater dr. C.C.Kan, naar een rapport van 10 mei 2008 van de psychiater J.M.C. Martens en naar diens kritische beschouwing van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) alsmede naar een rapport van 9 september 2009 van de behandelend psychiater M.M.M.G. Debije.

4.2. Het Uwv heeft in verweer verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Evenmin als de rechtbank heeft de Raad voldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellant op 16 december 1998, zijn 18e verjaardag, heeft overschat. Deze belastbaarheid en de voor appellant geldende beperkingen zijn neergelegd in de FML van 17 november 2006 en is voldoende toegelicht met de zich onder de gedingstukken bevindende rapporten van de (bezwaar)verzekeringsarts. De in hoger beroep overgelegde kritische beschouwing van de FML van psychiater Martens is naar het oordeel van de Raad voldoende gemotiveerd weersproken door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 1 juli 2009. Deze wijst er onder meer op dat de door Martens aangegeven beperkingen er aan in de weg zouden hebben gestaan dat appellant met succes de gymnasiumopleiding en een academische studie zou hebben afgerond. De Raad ziet in de rapportage van 4 december 2007 van psychiater Kan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv te optimistisch is omtrent de belastbaarheid van appellant. Uit diens rapport blijkt dat hij wel degelijk arbeidsmogelijkheden voor appellant ziet, zij het dat rekening gehouden moet worden met beperkingen. Aan de brief van de behandelend psychiater Debije kan de Raad niet het door appellant gewenste betekenis hechten nu Debije het oog heeft op de problemen die appellant ervaart bij het uitoefenen van functies op zijn opleidingsniveau na het behalen van zijn doctoraalexamen in maart 2006.

5.2. De bezwaararbeidsdeskundige heeft een aantal functies geselecteerd, (archiefmedewerker, bode-bezorger en aardappelsorteerder) die ook op 16 december 1998 in voldoende mate op de arbeidsmarkt voorkwamen. Naar het oordeel van de Raad heeft hij voorts in zijn rapport van 3 september 2007 voldoende toegelicht dat de belasting in deze functies de belastbaarheid van appellant op de in geding zijnde datum niet te boven ging. Wat betreft de in de FML opgenomen noodzaak tot begeleiding merkt de Raad op dat deze blijkens het rapport van 16 november 2006 van de verzekeringsarts betrekking heeft op klantencontacten. Dergelijke contacten komen in de geduide functies echter niet voor.

5.3. Terecht heeft de bezwaararbeidsdeskundige als de aan appellant soortgelijke gezonde persoon (maatman) als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de WAJONG aangemerkt de gymnasiumstudent, die op zijn 18e verjaardag het voor hem geldend minimumloon kan verdienen. Met het uitoefenen van de geduide functies kon appellant op zijn 18e verjaardag het voor hem toen geldend minimumloon verdienen. Hij was op die datum dan ook niet arbeidsongeschikt in de zin van de WAJONG.

6. Hetgeen in 5.1 tot en met 5.3 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.

7. De Raad ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende;

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) I.R.A. van Raaij.

TM