Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3731

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
20-11-2009
Zaaknummer
09-553 WIA + 09-555 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Toekenning WGA-uitkering. 2) Het Uwv heeft appellant meegedeeld dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 4,6%, dat de hoogte van de WGA-uitkering niet wijzigt en dat deze uitkering eindigt op 14 september 2008.

Aan het bestreden besluit 1 ligt de opvatting ten grondslag dat appellant volledig arbeidsongeschikt is; deze arbeidsongeschiktheid is echter niet duurzaam is in de zin van artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), aldus het Uwv. Aan het bestreden besluit 2 ligt het standpunt ten grondslag dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 35% bedraagt en dat daarom ingevolge artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA het recht op een WGA-uitkering eindigt op de dag dat de loongerelateerde WGA-uitkering eindigt, zijnde 14 september 2008. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht. Appellant heeft in hoger beroep geen objectieve medische gegevens ingebracht die zijn stelling ondersteunen dat aanleiding bestaat voor het aannemen van verdergaande beperkingen. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding heeft gezien een deskundige te benoemen voor nader onderzoek van appellant. In de voorhanden zijnde gegevens ziet de Raad daarnaast genoegzaam steun voor het oordeel dat de belasting in de aan appellant voorgehouden functies de belastbaarheid van appellant niet te boven gaat en dat deze functies daarmee voor appellant in medisch opzicht geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/553 WIA + 09/555 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 december 2008, 07/4158 en 08/820 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Strikwerda, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2009. Voor appellant is verschenen mr. M.M. de Jonge, kantoorgenoot van mr. Strikwerda. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diekema.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een meer uitgebreide weergave van de voor dit geding van belang zijn de feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Bij besluit van 12 maart 2007, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 29 augustus 2007 (hierna: bestreden besluit 1), heeft het Uwv vastgesteld dat appellant vanaf 14 maart 2007 tot 14 september 2008 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering.

1.3. Bij besluit van 8 oktober 2007, voor zover van belang, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 2 januari 2008 (hierna: bestreden besluit 2), heeft het Uwv appellant meegedeeld dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 4,6%, dat de hoogte van de WGA-uitkering niet wijzigt en dat deze uitkering eindigt op 14 september 2008.

1.4. Aan het bestreden besluit 1 ligt de opvatting ten grondslag dat appellant volledig arbeidsongeschikt is; deze arbeidsongeschiktheid is echter niet duurzaam is in de zin van artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), aldus het Uwv. Aan het bestreden besluit 2 ligt het standpunt ten grondslag dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 35% bedraagt en dat daarom ingevolge artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA het recht op een WGA-uitkering eindigt op de dag dat de loongerelateerde WGA-uitkering eindigt, zijnde 14 september 2008.

2. De rechtbank heeft de door appellant tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, geen aanknopingspunten gevonden om de door de verzekeringsartsen van het Uwv ingestelde medische onderzoeken niet voldoende zorgvuldig te achten en de daarop gebaseerde conclusies onjuist te achten. In de verzekeringsgeneeskundige rapporten is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat appellant niet duurzaam arbeidsongeschikt is, zodat appellant belastbaar moet worden geacht overeenkomstig de vanwege het Uwv vastgestelde belastbaarheid. De rechtbank heeft zich voorts kunnen verenigen met de (motivering van de medische geschiktheid van de) aan het bestreden besluit 2 ten grondslag liggende functies. Appellants beroepsgrond dat het Uwv niet al in oktober 2007 heeft kunnen beslissen dat op 14 september 2008 het recht op WGA-uitkering zou eindigen, heeft de rechtbank met verwijzing naar artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA verworpen.

3. Volgens appellant heeft het Uwv zijn klachten en beperkingen onderschat en is hij (als gevolg van zijn medicijngebruik) niet in staat tot het verrichten van de geduide functies. Appellant acht zich volledig en duurzaam arbeidsongeschikt, zodat hij op grond van artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering. Appellant heeft de Raad verzocht om over te gaan tot het benoemen van een eigen deskundige.

4. Het Uwv heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Ter zitting heeft mr. De Jonge verwezen naar c.q. geciteerd uit een schrijven (van onbekende datum) van de medisch adviseur M. Blom. Volgens mr. De Jonge blijkt uit dit schrijven dat er bij appellant zeer waarschijnlijk sprake is van een ernstige psychiatrische aandoening die appellant zeer waarschijnlijk ernstig beperkt in het verrichten van loonvormende arbeid. Mr. De Jonge heeft tevens geciteerd uit een schrijven van 15 oktober 2008 van de orthopedisch chirurg Van der Schaaf. De Raad stelt vast dat beide stukken zich niet bevinden onder de gedingstukken. De Raad acht het hiervoor weergegeven betoog voorts dermate tardief ingebracht dat het als in strijd met de goede procesorde buiten beoordeling dient te blijven. De Raad heeft evenmin aanleiding gezien om appellant, zoals ter zitting is verzocht, in de gelegenheid te stellen een psychiatrische expertise in te winnen en deze in het geding te brengen.

5.2. Uitgaande van het vorenstaande onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. De Raad schaart zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak die de rechtbank ter onderbouwing van dat oordeel heeft gegeven. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht. Appellant heeft in hoger beroep geen objectieve medische gegevens ingebracht die zijn stelling ondersteunen dat aanleiding bestaat voor het aannemen van verdergaande beperkingen. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding heeft gezien een deskundige te benoemen voor nader onderzoek van appellant.

5.3. In de voorhanden zijnde gegevens ziet de Raad daarnaast genoegzaam steun voor het oordeel dat de belasting in de aan appellant voorgehouden functies de belastbaarheid van appellant niet te boven gaat en dat deze functies daarmee voor appellant in medisch opzicht geschikt zijn. Wat betreft het argument dat het medicijngebruik van appellant in de weg staat aan de medische geschiktheid van de geduide functies merkt de Raad op dat de (bezwaar)verzekeringsarts bekend was met de door appellant gebruikte medicatie. Een en ander heeft niet geleid tot specifieke beperkingen. Zo wordt appellant in staat geacht om (zij het gedurende maximaal een half uur) auto te rijden. Deze grief treft derhalve evenmin doel.

5.4. Het hoger beroep slaagt niet. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) I.R.A. van Raaij.

GdJ