Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3730

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
19-11-2009
Zaaknummer
08-2608 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong-uitkering toe te kennen. De Raad stelt vast dat betrokkene aan het einde van de wachttijd niet ongeschikt was voor zijn arbeid. Met de hem bij het besluit van 22 september 2003 voorgehouden functies was betrokkene immers in staat om ten minste het minimumloon te verdienen, waaruit volgt dat hij geschikt was voor de maatmanarbeid. Betrokkene komt niet in aanmerking voor toekenning van een Wajong-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wajong, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid aan het einde van de wachttijd. Evenmin is voldaan aan de voorwaarde dat betrokkene voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid ten minste zes maanden studerende was. De Raad komt tot de slotsom dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt, maar dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand kunnen blijven. Dat betekent dat het hoger beroep van het Uwv slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, echter slechts voor zover daarbij aan het Uwv is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2608 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 17 maart 2008, 07/2253 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

het Uwv

en

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 18 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. ing. D. Klazema, werkzaam bij de NierpatiëntenVereniging Nederland, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2009. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.H.C. de Bruijn. Betrokkene is in persoon verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is sinds zijn geboorte nierpatiënt. Op 18 augustus 2002 is hij 18 jaar oud geworden.

1.2. In juni 2003 heeft betrokkene een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd. Bij besluit van 22 september 2003 heeft het Uwv geweigerd hem een Wajong-uitkering toe te kennen, omdat hij in aansluiting op de wettelijk voorgeschreven wachttijd minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Dit besluit is mede gebaseerd op het rapport van arbeidsdeskundige M. Daal van 19 augustus 2003. Daal geeft daarin aan dat de maatman van betrokkene degene is die het minimumloon kan verdienen, omdat hij voor zijn achttiende verjaardag niet in het vrije bedrijf heeft gewerkt. Gelet op de loonwaarde van de aan hem voorgehouden functies acht de arbeidsdeskundige betrokkene in staat om ten minste het minimumloon te verdienen. Het verlies aan verdiencapaciteit is dan ook bepaald op 0%.

1.3. Met ingang van 11 mei 2006 heeft betrokkene zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Naar aanleiding van deze melding is betrokkene onderzocht door een verzekeringsarts en vervolgens heeft hij gesproken met de arbeidsdeskundige C.J.C.Vrolijk. In zijn rapport van 26 oktober 2006 geeft de arbeidsdeskundige aan dat de aanvraag moet worden afgewezen omdat betrokkene niet voldoet aan de eis dat hij ten minste 6 maanden studerende was voorafgaand aan de datum van de toename van de arbeidsongeschiktheid. Verder heeft de arbeidsdeskundige, die betrokkene in staat acht om in geduide functies meer dan het minimumloon te verdienen, het verlies aan verdiencapaciteit geschat op minder dan 25%. In zijn besluit van 9 november 2006 heeft het Uwv aan betrokkene meegedeeld dat hij vanaf 8 juni 2006 geen recht heeft op Wajong-uitkering, omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt is.

1.4. Bij besluit van 31 mei 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 9 november 2006 gerichte bezwaar ongegrond verklaard. Onder verwijzing van arbeidskundige rapportages wordt in het bestreden besluit gesteld dat betrokkene voldoet aan de toelatingseisen voor de Wajong, omdat de klachten van betrokkene zijn toegenomen binnen vijf jaar na een eerdere Wajong-beoordeling. Uit de arbeidskundige heroverweging volgt weliswaar dat er andere functies aan de schatting ten grondslag moeten worden gelegd, maar de mate van arbeidsongeschiktheid bedraagt onveranderd minder dan 25%.

2.1. De rechtbank heeft, voor zover thans nog van belang, in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en beslissingen gegeven over proceskosten en griffierecht.

2.2. De rechtbank grondt deze beslissing op de overweging dat betrokkene moet worden gevolgd in zijn visie dat hij maximaal 28 uur per week kan werken, zodat de hem voorgehouden functies niet geschikt zijn te achten.

3.1. In hoger beroep stelde het Uwv zich aanvankelijk op het standpunt dat de rechtbank zich ten onrechte een eigen medisch oordeel heeft aangemeten en dat er onvoldoende grond was om een urenbeperking aan te nemen.

3.2. In het aanvullend hoger beroepschrift van 15 oktober 2008 wijzigt het Uwv de motivering die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. Het Uwv betoogt dat betrokkene aan het einde van de wachttijd, 17 augustus 2002, geschikt was voor zijn arbeid, te weten de maatmanarbeid waarmee het minimumloon kan worden verdiend. Dit leidt er volgens het Uwv toe dat betrokkene niet voldoet aan de in artikel 19, eerste lid, aanhef onder b van de Wajong gestelde voorwaarde van ongeschikt zijn voor de maatmanarbeid aan het einde van de wachttijd. Deze bepaling kan dan ook niet de grondslag vormen voor toekenning van een Wajong-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid. Het Uwv geeft verder aan dat evenmin is voldaan aan het bepaalde in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b in verbinding met artikel 6, eerste lid Wajong, omdat betrokkene niet gedurende ten minste zes maanden studerende was voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Het Uwv concludeert dat aan betrokkene terecht geen Wajong-uitkering is toegekend.

4.1. Gelet op het door het Uwv in het aanvullend hoger beroepschrift van 15 oktober 2008 ingenomen standpunt dat de in het bestreden besluit neergelegde motivering onjuist is, komt de Raad tot het oordeel dat het bestreden besluit in aanmerking komt voor vernietiging wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.2. In hoger beroep is vervolgens uitsluitend nog de vraag aan de orde of de in het aanvullend hoger beroepschrift verwoorde motivering van het bestreden besluit de afwijzing van de Wajong-uitkering per 8 juni 2006 kan dragen. De Raad overweegt als volgt.

4.3. In artikel 19 eerste lid, aanhef en onder b, van de Wajong is het volgende bepaald:

“Indien de jonggehandicapte:

a. […]

b. die aan het einde van de wachttijd, bedoeld in artikel 6, eerste lid, ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling, maar geen recht had op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was; binnen vijf jaar na de datum van die intrekking dan wel binnen vijf jaar na het bereiken van die wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten dan wel als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling voortkomt, vindt toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.”

4.4. De Raad stelt vast dat betrokkene aan het einde van de wachttijd niet ongeschikt was voor zijn arbeid. Met de hem bij het besluit van 22 september 2003 voorgehouden functies was betrokkene immers in staat om ten minste het minimumloon te verdienen, waaruit volgt dat hij geschikt was voor de maatmanarbeid. Betrokkene komt niet in aanmerking voor toekenning van een Wajong-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wajong, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid aan het einde van de wachttijd. Evenmin is voldaan aan de voorwaarde dat betrokkene voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid ten minste zes maanden studerende was.

5. De Raad komt tot de slotsom dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt, maar dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand kunnen blijven. Dat betekent dat het hoger beroep van het Uwv slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, echter slechts voor zover daarbij aan het Uwv is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

6. Met betrekking tot de proceskosten acht de Raad termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover het Uwv daarbij is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag groot € 322,-.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof als voorzitter en H. Bedee en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) M.A. van Amerongen.

CVG