Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3728

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
19-11-2009
Zaaknummer
08-1859 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De Raad is van oordeel dat niet is gebleken van genoegzame aanknopingspunten in objectief-medische zin om appellante te kunnen volgen in de opvatting dat haar beperkingen in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend. Besluit is in strijd met het motiveringsbeginsel. Vernietiging uitspraak. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/1859 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 februari 2008, 07/1498 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.G.H.M. de Glas, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarop namens appellante is gereageerd.

Het Uwv heeft daarin geen aanleiding gezien de reactie van appellante voor te leggen aan een bezwaarverzekeringsarts en/of bezwaararbeidsdeskundige. Naar aanleiding daarvan is namens appellante gereageerd, gevolgd door een brief, voorzien van een tweetal bijlagen, afkomstig van appellantes behandelend neuroloog, waarop het Uwv op zijn beurt heeft gereageerd.

Vervolgens heeft het Uwv een rapportage van een bezwaararbeidsdeskundige ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2009. Namens appellante is verschenen mr. De Glas, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft het Uwv naar aanleiding van verzoeken van appellante geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen per 29 januari 2006 en per

9 oktober 2006, omdat zij na afloop van de in deze gevallen geldende wachttijd minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

1.2. Bij besluit van 21 maart 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 31 oktober 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank heeft met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit vastgesteld dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante per 29 januari 2006 en 9 oktober 2006. Bij het vaststellen van de beperkingen heeft de verzekeringsarts het rapport van de neuropsycholoog M.A.O. de Bijl van 7 juli 2006 betrokken. De rechtbank volgt appellante niet in de grief dat de (bezwaar)verzekeringsarts over haar beperkingen met de neurospycholoog had moeten overleggen en verwijst in dit verband onder meer naar de vaste rechtspraak betreffende raadpleging van de zogenoemde behandelende sector. Overigens heeft de rechtbank vastgesteld dat ook met betrekking tot de door de neuropsycholoog aangeduide aspecten “werken onder tijdsdruk” en “conflicterende functie-eisen” in de zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) beperkingen zijn opgenomen. Ten slotte heeft de rechtbank in de brief van de behandelend neuroloog P.J.H. Jongen van 29 januari 2007 geen reden gezien om te twijfelen aan de opvatting van de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van appellantes psychische beperkingen voor arbeid.

2.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat door de (bezwaar)arbeidsdeskundige voldoende is gemotiveerd dat de belasting in de aan appellante voorgehouden functies haar belastbaarheid niet overschrijdt. Met betrekking tot de grief van appellante dat de functie van telefonist/receptionist voor haar niet passend is, stelt de rechtbank vast dat ten aanzien van de niet-matchende aspecten een motivering is gegeven in het rapport van de arbeidsdeskundige, welke motivering zij voldoende acht.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar belastbaarheid door het Uwv niet juist is vastgesteld en dat zij niet in staat is de geduide functies te vervullen. Voorts heeft er naar haar opvatting ten onrechte geen overleg plaatsgevonden tussen de verzekeringsarts en de behandelend neuropsycholoog en is er met name bij de functie telefonist/receptionist in onvoldoende mate rekening gehouden met haar beperkingen. Appellante acht de beoordeling door het Uwv van de neuropsychologische bevindingen en de vertaling naar de FML niet juist.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is van oordeel dat hetgeen appellante in hoger beroep ter zake van de medische grondslag van het bestreden besluit heeft aangevoerd, onvoldoende grond biedt om de rechtbank in haar oordeel niet te volgen. Evenmin als de rechtbank heeft de Raad reden om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de vastgestelde beperkingen van appellante op de data in geding. De Raad onderschrijft tevens de overwegingen van de rechtbank die zien op de stellingen van appellante dat de (bezwaar)verzekeringsarts met de neuropsycholoog had moeten overleggen over de beperkingen van appellante en dat de FML niet voldoet aan de eisen die de behandelend neuroloog in zijn brief van 29 januari 2007 heeft gesteld. De Raad is voorts van oordeel dat niet is gebleken van genoegzame aanknopingspunten in objectief-medische zin om appellante te kunnen volgen in de opvatting dat haar beperkingen in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend. De beschikbare medische gegevens, afkomstig van de neuropsycholoog De Bijl en de neuroloog Jongen, bieden voor die opvatting van appellante geen steun. Het is de Raad niet gebleken dat met hun bevindingen onvoldoende rekening is gehouden. De Raad ziet geen aanknopings-punten voor de opvatting dat de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts M.P.W. Kreté naar aanleiding van de door appellante overgelegde medische informatie voor onjuist moeten worden gehouden. Naar aanleiding van de in hoger beroep namens appellante overgelegde brieven van de neuroloog Jongen overweegt de Raad dat het Uwv – met juistheid – heeft vastgesteld dat daarin geen nieuwe medische feiten staan vermeld. Uit die brieven volgt dat appellante klachten ervaart op het gebied van het geheugen. Jongen vermeldt geen (nieuwe) eigen onderzoeksbevindingen, terwijl het neuropsychologisch onderzoek dat in de brief aan de medisch adviseur van VGZ wordt genoemd, uiteindelijk heeft plaatsgevonden door de neuropsycholoog De Bijl. Ten slotte was de door Jongen genoemde medicatie van appellante bij de bezwaarverzekeringsarts bekend.

4.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de Raad, uitgaande van de juistheid van de ten aanzien van appellante vastgestelde medische beperkingen, van oordeel dat de functies die aan de onderhavige schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. Gelet op de nadere in hoger beroep overgelegde, in rubriek I vermelde, rapportage van 16 maart 2009 van een bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv, acht de Raad de in die functies voorkomende markeringen afdoende toegelicht.

4.3. Nu echter een als afdoende aan te merken toelichting op de geselecteerde functies ontbrak - die is eerst in de fase van het hoger beroep verstrekt - , had het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel door de rechtbank niet in stand mogen worden gelaten. De uitspraak komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Gelet op hetgeen verder in deze uitspraak wordt overwogen bestaat er aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

5. Uit hetgeen onder 4.3 is overwogen vloeit voort dat er aanleiding is om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 6,90 voor reiskosten in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 972,90.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 972,90, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 146,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL