Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3726

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
19-11-2009
Zaaknummer
08-5365 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting WIA-aanvraag van de werknemer i.v.m. een loonsanctie. Bij besluit van 15 februari 2007 heeft het Uwv het tijdvak waarin werknemer jegens appellante als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging – ook wel kortweg loonsanctie genoemd – is opgelegd per 9 april 2007, in aansluiting op de afloop van de wachttijd van 104 weken, en op de grond dat de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65 van de Wet. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv terecht het tijdvak waarin de werknemer recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door appellante, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA. De Raad is van oordeel dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de Raad met de rechtbank van oordeel is dat het Uwv terecht een loonsanctie heeft opgelegd aan appellante. Daaruit vloeit voort dat het Uwv ook terecht op grond van artikel 64, zevende lid, van de Wet WIA de behandeling van de WIA-aanvraag heeft opgeschort. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/5365 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 31 juli 2008, 07/2920 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.H.C. van Dongen, werkzaam bij de Koninklijke Metaalunie te Nieuwegein, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tegelijk met de gedingen 07/7069 WIA en 08/7101 WIA, plaatsgevonden op 26 augustus 2009. Voor appellante is Van Dongen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H. Beersma, mr. A.C. Arora en A.G.G. Schoonderbeek.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 15 februari 2007 heeft het Uwv het tijdvak waarin [naam werknemer] (hierna: de werknemer) jegens appellante als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging – ook wel kortweg loonsanctie genoemd – is opgelegd per 9 april 2007, in aansluiting op de afloop van de wachttijd van 104 weken, en op de grond dat de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65 van de Wet WIA.

1.2. Bij besluit van 15 februari 2007 heeft in Uwv in verband met het opleggen van de loonsanctie de WIA-aanvraag van de werknemer opgeschort.

1.3. Appellante heeft tegen de beide besluiten van 15 februari 2007 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 3 oktober 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen beide besluiten ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante verschillende grieven van algemene aard aangevoerd. Ten aanzien van de re-integratie-inspanningen heeft appellante naar voren gebracht dat zij enige tijd geen actie heeft ondernomen, omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat de re-integratieactiviteiten zouden worden verricht door de onderneming waar de werknemer als gedetacheerde feitelijk werkzaam was. Daarnaast heeft appellante erop gewezen dat van haar geen re-integratie-inspanningen konden worden gevergd, omdat de medische belastbaarheid van de werknemer steeds verslechterde.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv terecht het tijdvak waarin de werknemer recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door appellante, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.

4.2. In zijn uitspraak van 18 november 2009, in de gedingen 07/7069 WIA en 08/7101 WIA, waarin Van Dongen voornoemd eveneens als gemachtigde is opgetreden, heeft de Raad alle grieven van de gemachtigde van appellante van meer algemene aard besproken en verworpen. De Raad volstaat hier met verwijzing naar die uitspraak.

4.3. Het Uwv heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest, waar het de inspanningen gericht op re-integratie bij een andere werkgever – het zogenaamde tweede spoor – betreft. Daarbij is verwezen naar de rapportages van de arbeidsdeskundige van 7 februari 2007 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 29 augustus 2007. In de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige wordt het standpunt ingenomen dat in februari 2006 al duidelijk was dat voor de werknemer bij appellante geen passend werk voorhanden was en dat naar werk bij een andere werkgever diende te worden gezocht. Nu vervolgens gedurende tien maanden niets is gedaan aan re-integratie, is volgens het Uwv sprake van onvoldoende re-integratie-inspanningen.

4.4. De Raad is van oordeel dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Uit het rapport van 21 februari 2006 van de door appellante ingeschakelde arbeidsdeskundige blijkt dat is vastgesteld dat appellante geen passend werk kon bieden en dat het tweede spoor moest worden ingezet. Door appellante is niet betwist dat zij niettemin nadien gedurende in ieder geval tien maanden geen re-integratieactiviteiten heeft verricht. Terecht heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat appellante daarmee haar re-integratieverplichtingen heeft geschonden. De omstandigheid dat appellante in de veronderstelling verkeerde dat de re-integratieactiviteiten zouden worden verricht door BAM, de onderneming waar de werknemer als gedetacheerde feitelijk werkzaam was en waar hem een bedrijfsongeval is overkomen, levert geen deugdelijke grond op als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA om re-integratie-inspanningen achterwege te laten. De Raad onderschrijft het standpunt van het Uwv dat appellante als werkgever verantwoordelijk is voor dere-integratie van de werknemer en dat aan deze verantwoordelijkheid niet kan afdoen dat een andere partij eventueel aansprakelijk is voor een bedrijfsongeval dat de werknemer is overkomen. Ook de stelling van appellante dat de medische belastbaarheid van de werknemer steeds verslechterde, levert niet een deugdelijke grond op. Die stelling vindt geen steun in de stukken, nog daargelaten de vraag of de verslechterende medische situatie een reden kon opleveren om re-integratie-inspanningen achterwege te laten. Uit de periodieke evaluatie van de bedrijfsarts van 13 februari 2006 en uit eerdergenoemd rapport van de arbeidsdeskundige van 21 februari 2006 blijkt dat de werknemer in staat was om passend werk te verrichten. In nadere evaluaties van de bedrijfsarts van 27 november 2006 en 19 januari 2007 wordt geen wezenlijke verandering in de medische situatie van de werknemer gemeld.

4.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de Raad met de rechtbank van oordeel is dat het Uwv terecht een loonsanctie heeft opgelegd aan appellante. Daaruit vloeit voort dat het Uwv ook terecht op grond van artikel 64, zevende lid, van de Wet WIA de behandeling van de WIA-aanvraag heeft opgeschort. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en P.J. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) F. Heringa.

JL