Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3717

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
19-11-2009
Zaaknummer
07-7069 WIA + 08-7101 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loon tijdens ziekte met 52 weken. 2) De opgelegde loonsanctie wordt niet verkort, omdat de tekortkoming in de re-integratie-inspanningen door appellante niet was hersteld. Op zaak betrekking hebbende stukken. 1) Nu het ten aanzien van de werknemer, in de periode die hier van belang is, nog niet was gekomen tot een duurzame werkhervatting bij appellante en het – blijkens onder meer het actueel oordeel van de bedrijfsarts – ook nog niet duidelijk was of dit op korte termijn zou gebeuren, heeft het Uwv appellante terecht mede gehouden geacht tot re-integratie-inspanningen ten aanzien van het tweede spoor. De loonsanctie van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA heeft een reparatoir karakter en er is geen aanleiding die sanctie aan te merken als een “criminal charge” in de zin van artikel 6 van het EVRM. Uit artikel 25, negende lid, van de Wet WIA volgt niet dus dat een loonsanctie ‘op maat’ moet worden opgelegd. Geen rechtsongelijkheid. Geen sprake van een bevredigend resultaat als bedoeld in de Beleidsregels. Vast staat immers dat het in de periode die hier ter beoordeling staat niet is gekomen tot werkhervatting van de werkneemster. Dat brengt mee dat het Uwv gelet op de Beleidsregels kon toekomen aan een beoordeling van de re-integratie-inspanningen. Appellante had vanaf juli 2006 al kunnen onderzoeken welke re-integratiemogelijkheden er gelet op de bestaande beperkingen in aangepast werk bij appellante of eventueel bij een andere werkgever aanwezig waren. Loonsanctie terecht opgelegd. 2) Nadat de loonsanctie in oktober 2006 was opgelegd, heeft appellante gewacht tot februari 2007 met het inschakelen van een re-integratiebureau. Vervolgens worden blijkens het arbeidsintegratieplan concrete re-integratieactiviteiten pas in gang gezet in april/mei 2007. Terecht stelt het Uwv zich op het standpunt dat appellante hiermee onvoldoende voortvarend is opgetreden en ook in zoverre de tekortkoming niet heeft hersteld. Het Uwv heeft terecht geweigerd de loonsanctie te bekorten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:42, geldigheid: 2009-11-18
Beleidsregels beoordelingskader poortwachter, geldigheid: 2009-11-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/1
RSV 2010, 27

Uitspraak

07/7069 WIA

08/7101 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Zutphen van 3 december 2007, 07/619 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 19 november 2008, 08/141 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.H.C. van Dongen, werkzaam bij de Koninklijke Metaalunie te Nieuwegein, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend. Bij brieven van 25 april 2008, 9 mei 2008, 17 juni 2008, 28 juli 2008 en 3 augustus 2009 heeft appellante aanvullende gronden ingediend en nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft, tegelijk met het geding 08/5365 WIA, plaatsgevonden op 26 augustus 2009. Voor appellante is verschenen E.M. van Ommen, bijgestaan door Van Dongen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H. Beersma, mr. A.C. Arora en A.G.G. Schoonderbeek.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 26 oktober 2006 heeft het Uwv het tijdvak waarin [werknemer] jegens appellante als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging – ook wel kortweg loonsanctie genoemd – is opgelegd per 26 december 2006, in aansluiting op de afloop van de wachttijd van 104 weken, en op de grond dat de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65 van de Wet WIA.

1.2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 13 maart 2007 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. Bij besluit van 30 mei 2007 heeft het Uwv beslist dat de opgelegde loonsanctie niet wordt verkort, op de grond dat de tekortkoming in de re-integratie-inspanningen door appellante niet was hersteld.

2.2. Appellante heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 10 januari 2008 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak van 3 december 2007 (hierna: aangevallen uitspraak 1) heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak van 19 november 2008 (hierna: aangevallen uitspraak 2) heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

4.1. In hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 heeft appellante de volgende gronden – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd. Appellante heeft gesteld dat de wetgevingskwaliteit van de Wet WIA in zijn algemeenheid ondeugdelijk is en dat deze in strijd komt met internationale verdragen en nationale wetgeving. Verder meent appellante dat de loonsanctie moet worden aangemerkt als een “criminal charge” in de zin van artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dat de oplegging van de loonsanctie niet voldoet aan de waarborgen die daarbij gelden. Naar de mening van appellante is bij de systematiek van de loonsanctie ook sprake van rechtsongelijkheid, omdat voor de gevallen waarin het Uwv als (pseudo-)werkgever optreedt andere regels gelden dan voor ‘echte’ werkgevers. De door het Uwv opgelegde loonsanctie van 52 weken voldoet daarnaast volgens appellante niet aan de op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA geldende eis dat een sanctie op maat moet worden opgelegd en is daarom ook buitenproportioneel. Appellante betoogt dat de beleidsregels die het Uwv heeft toegepast pas in werking zijn getreden op 18 november 2006 en dat deze regels dus niet kunnen gelden voor een ziektegeval dat zich voor het grootste deel heeft afgespeeld vóór die tijd. In dat verband stelt appellante zich ook op het standpunt dat het appellante niet duidelijk kon zijn wat er van haar als werkgever verlangd werd ten aanzien van de re-integratie. Wat betreft de concrete beoordeling van de re-integratie-inspanningen stelt appellante dat het Uwv ten onrechte een onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige achterwege heeft gelaten, dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom die inspanningen gebrekkig zijn geweest en dat appellante ten aanzien van de re-integratie alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar gevergd kon worden. Tot slot heeft appellante erop gewezen dat zij niet over alle stukken van de zaak heeft kunnen beschikken.

4.2. In het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 heeft appellante gesteld dat het Uwv te laat een besluit heeft genomen, hetgeen volgens haar tot gevolg moet hebben dat de loonsanctie niet meer gehandhaafd kan worden en moet worden bekort. Verder voert appellante aan dat het Uwv bij de weigering om de loonsanctie te bekorten uitgaat van een resultaatsverplichting ten aanzien van de re-integratie, terwijl artikel 25, negende lid, van de Wet WIA slechts een inspanningsverplichting kent. Ook meent appellante dat zij zowel in december 2006 als in mei 2007 aan haar inspanningsverplichting had voldaan, zodat de loonsanctie ook om die reden bekort had moeten worden.

4.3. Het Uwv heeft de Raad gevraagd de aangevallen uitspraken te bevestigen.

5. De Raad overweegt het volgende.

Met betrekking tot aangevallen uitspraak 1 (de loonsanctie) en aangevallen uitspraak 2 (de bekorting van de loonsanctie)

6.1. Bij de beoordeling van het geschil zijn met name de volgende wettelijke bepalingen van belang.

6.2.1. Artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

“Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond (…) onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (…), opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of reïntegratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.”

6.2.2. Ingevolge artikel 25, tiende lid, van de Wet WIA, voor zover hier van belang, geeft het UWV de beschikking omtrent de toepassing van het negende lid uiterlijk zes weken voor de afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel 23. Ingevolge het elfde lid, voor zover hier van belang, vindt verlenging van het tijdvak als bedoeld in het negende lid niet plaats indien het UWV de beschikking omtrent de toepassing van het negende lid niet geeft voor de afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel 23.

6.2.3. Artikel 25, twaalfde lid, van de Wet WIA luidt als volgt:

“Indien de werkgever na toepassing van het negende lid van mening is dat hij zijn tekortkoming ten aanzien van de in het negende lid bedoelde verplichtingen of reïntegratie-inspanningen heeft hersteld, meldt hij dit aan het UWV, waarbij hij aantoont dat hij de tekortkoming heeft hersteld.”

6.2.4. Ingevolge artikel 25, dertiende lid, van de Wet WIA geeft het UWV de beschikking waarin wordt vastgesteld of de tekortkoming, bedoeld in het negende lid, is hersteld binnen drie weken na de ontvangst van de melding, bedoeld in het twaalfde lid.

6.2.5. Artikel 25, veertiende lid, van de Wet WIA luidde tot 1 januari 2008 als volgt:

“Het tijdvak, bedoeld in het negende lid, eindigt zes weken nadat het UWV heeft vastgesteld dat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de in het negende lid bedoelde verplichtingen of reïntegratie-inspanningen heeft hersteld, maar niet later dan na 52 weken. Indien het UWV de beschikking omtrent de toepassing van het negende lid of de beschikking waarin wordt vastgesteld dat een tekortkoming is hersteld te laat geeft, eindigt het tijdvak zoveel eerder als de beschikking later is afgegeven.”

6.3. Ingevolge artikel 65 van de Wet WIA, voor zover hier van belang, beoordeelt het UWV of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de reïntegratie-inspanningen, die zijn verricht.

6.4. Artikel 7:658a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) luidt sinds 1 januari 2004 als volgt:

“De werkgever bevordert ten aanzien van de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf. Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en in het bedrijf van de werkgever geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert de werkgever, gedurende het tijdvak waarin de werknemer jegens hem recht op loon heeft op grond van artikel 629, artikel 71a, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de inschakeling van de werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever.”

Met betrekking tot aangevallen uitspraak 1 (de loonsanctie)

7. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante, daarnaar gevraagd, aangegeven dat appellante over alle stukken in deze zaak beschikt. De grief van appellante op dit punt behoeft dus geen bespreking meer. Voor zover appellante stelt dat het Uwv niet heeft gereageerd op haar verzoek om toezending van achtergrondinformatie over de uitvoering van de loonsanctie in zijn algemeenheid, overweegt de Raad dat dergelijke informatie, nog daargelaten of deze voorhanden is, niet behoort tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

8. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv terecht het tijdvak waarin de werknemer recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door appellante, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.

9. Niet in geschil is dat de werknemer na 15 augustus 2004 – te weten op 9 december 2004 – arbeidsongeschikt is geworden. Gelet op artikel 123b, eerste lid, van de Wet WIA is artikel 25, negende lid, van de Wet WIA dus van toepassing in dit geval.

10.1. Het Uwv heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest, zowel waar het gaat om de re-integratie binnen het eigen bedrijf van appellante – het zogenaamde eerste spoor – als waar het de inspanningen gericht op re-integratie bij een andere werkgever – het zogenaamde tweede spoor – betreft.

10.2. Niet ter discussie staat dat appellante op zichzelf ook verplicht is om de inschakeling in passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever te bevorderen. Deze verplichting is met ingang van 1 januari 2002 neergelegd in artikel 8, eerste lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA) en per 1 januari 2004 (ook) in artikel 7:658a, eerste lid, van het BW. Met ingang van 29 december 2005 berust deze verplichting uitsluitend nog op artikel 7:658a, eerste lid, van het BW. Uit de memorie van toelichting van de Wet Invoering en financiering Wet WIA blijkt dat de wetgever het BW na intrekking van de Wet REA per 29 december 2005 de aangewezen plaats vond om de re-integratieplicht van de (niet overheids-) werkgever te regelen (TK 2004-2005, 30 118, nr. 3, pag. 157).

10.3. Voor zover appellante stelt dat zij niet gehouden was tot re-integratie-inspanningen ten aanzien van het tweede spoor, omdat re-integratie in het eerste spoor nog mogelijk was, kan zij daarin niet worden gevolgd. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de werkgever naast het verrichten van re-integratie-inspanningen ten aanzien van het eerste spoor gehouden kan zijn de mogelijkheden bij een andere werkgever te bezien, bij voorbeeld in het geval dat het nog niet is gekomen tot gedeeltelijke werkhervatting in het eigen bedrijf en er ook geen uitzicht is dat dit op korte termijn zal gebeuren. Dit is in overeenstemming met het uitgangspunt van de wetgever bij de totstandkoming van de Wet WIA en de overige daarmee samenhangende wettelijke voorschriften met betrekking tot re-integratie, dat een zo snel mogelijke en duurzame re-integratie moet worden bewerkstelligd bij de eigen of een andere werkgever (TK 2004-2005, 30 034, nr. 3, pag. 40 e.v.). Ook aan het bepaalde in artikel 7:658a, eerste lid, van het BW ligt in dit verband blijkens de wetsgeschiedenis ten grondslag dat de re-integratie bij een andere werkgever moet worden bevorderd als niet te verwachten is dat de werknemer binnen een redelijke termijn het werk bij de eigen werkgever kan hervatten (TK 2000-2001, 27 678, nr. 13, pag. 3). Nu het ten aanzien van de werknemer, in de periode die hier van belang is, nog niet was gekomen tot een duurzame werkhervatting bij appellante en het – blijkens onder meer het actueel oordeel van de bedrijfsarts van 28 september 2006 – ook nog niet duidelijk was of dit op korte termijn zou gebeuren, heeft het Uwv appellante terecht mede gehouden geacht tot re-integratie-inspanningen ten aanzien van het tweede spoor.

11. De Raad stelt vast dat de systematiek van de loonsanctie, zoals neergelegd in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, tot stand is gekomen bij de nota van wijziging van de Aanpassings- en verzamelwet Wet WIA (TK 2005-2006, 30 318, nr. 6, pag. 18). Blijkens de nota van wijziging is de voorheen bestaande systematiek, die voorzag in een categorale loonsanctie met een duur van ten minste vier maanden, vervangen door een systeem waarin het herstelkarakter van de loonsanctie meer wordt benadrukt. Daartoe heeft de wetgever gekozen voor een systeem waarin de duur van de sanctie wordt afgestemd op de tijd die nodig is om bepaalde achterwege gebleven activiteiten alsnog te verrichten of bepaalde omissies te herstellen. Dat komt tot uitdrukking in artikel 25, negende, tiende en veertiende lid, van de Wet WIA, waaruit volgt dat de loonsanctie vóór de afloop van de wachttijd wordt opgelegd opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van bepaalde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen en waaruit blijkt dat de loonsanctie eindigt indien de werkgever die tekortkoming daadwerkelijk herstelt. Gelet hierop heeft de loonsanctie van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA naar het oordeel van de Raad een reparatoir karakter en is er geen aanleiding die sanctie aan te merken als een “criminal charge” in de zin van artikel 6 van het EVRM.

12.1. De stelling van appellante dat het Uwv gelet op artikel 25, negende lid, van de Wet WIA een sanctie ‘op maat’ had moeten opleggen en dat de opgelegde loonsanctie van 52 weken buitenproportioneel is, kan niet slagen. Uit de onder 11 weergegeven systematiek van de loonsanctie en eerdergenoemde nota van wijziging blijkt dat de wetgever voor ogen heeft gestaan dat een opgelegde loonsanctie doorloopt totdat de werkgever alsnog de benodigde inspanningen heeft verricht of alsnog de benodigde ontbrekende stukken heeft ingediend, met dien verstande dat de loonsanctie maximaal 52 weken bedraagt (TK 2005-2006, 30 318, nr. 6, pag. 20). Gezien artikel 25, dertiende en veertiende lid, van de Wet WIA eindigt de loonsanctie maximaal negen weken nadat is vastgesteld dat de tekortkoming is hersteld. Anders dan appellante kennelijk meent, volgt uit artikel 25, negende lid, van de Wet WIA dus niet dat een loonsanctie ‘op maat’ moet worden opgelegd, maar voorziet deze bepaling in oplegging van een loonsanctie van (maximaal) 52 weken, waarbij de uiteindelijke duur van de loonsanctie afhankelijk is van het herstel van de tekortkoming door de werkgever.

12.2. Het betoog van appellante dat de wetgevingskwaliteit van de Wet WIA in zijn algemeenheid ondeugdelijk is en dat deze wet in strijd komt met internationale verdragen en nationale wetgeving, faalt. Het gaat in deze zaak alleen om een beoordeling van de loonsanctie die is opgelegd op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA en niet om een beoordeling van de Wet WIA in zijn algemeenheid.

12.3. Van de door appellante gestelde rechtsongelijkheid in het systeem van de loonsanctie is geen sprake, omdat de positie van het Uwv als (pseudo-)werkgever een andere is dan die van ‘echte’ werkgevers. Terecht heeft het Uwv er in het verweerschrift op gewezen dat geen sprake is van een gelijk geval, alleen al niet omdat werkgevers in beginsel een loondoorbetalingsverplichting bij ziekte hebben en het Uwv niet, zodat oplegging van een loonsanctie aan het Uwv geen ‘prikkel’ kan opleveren ten aanzien van de re-integratieverplichtingen.

13.1. In de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar (Regeling van 25 maart 2002, Stcrt. 2002, 60, laatstelijk gewijzigd bij regeling van 16 december 2005, Stcrt. 2005, 249; hierna: de Regeling procesgang) zijn nadere regels gesteld voor de toepassing van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA. Het gaat daarbij met name om verplichtingen van procedureel-administratieve aard.

13.2. In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224, hierna: de Beleidsregels) heeft het Uwv een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.

13.3. Blijkens de Beleidsregels staat bij de beoordeling het bereikte resultaat voorop. Als een bevredigend resultaat is bereikt, is volgens het beoordelingskader voldaan aan de wettelijke eis dat werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Van een bevredigend resultaat is sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Indien het Uwv het resultaat niet bevredigend acht, zal volgens de Beleidsregels bij de beoordeling worden ingezoomd op datgene wat door de werkgever en werknemer daadwerkelijk ondernomen is. Indien er geen bevredigend re-integratieresultaat bereikt is, maar het Uwv de inspanningen van de werkgever op basis van het beoordelingskader wel voldoende acht, wordt geen loonsanctie opgelegd. Dat is evenmin het geval als het Uwv de re-integratie-inspanningen weliswaar onvoldoende acht, maar tot het oordeel komt dat de werkgever daarvoor een deugdelijke grond heeft. Van werkgever en werknemer worden geen re-integratie-inspanningen meer verlangd wanneer de werknemer geen mogelijkheden meer heeft tot het verrichten van arbeid in het eigen bedrijf of bij een andere werkgever.

13.4. De Raad merkt de Beleidsregels aan als beleidsregels in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb, omtrent de uitleg van de artikelen 65 en 25, negende lid, van de Wet WIA. De Raad ziet in beginsel geen reden om te oordelen dat het in de Beleidsregels neergelegde beoordelingskader in strijd komt met een juiste uitleg van de artikelen 65 en 25, negende lid, van de Wet WIA. Daartoe overweegt de Raad dat de uitwerking en invulling die het beoordelingskader geeft aan genoemde artikelen, steeds overeenkomstig die artikelen tot uitgangspunt heeft de beoordeling van de vraag of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen, die zijn verricht. Het beoordelingskader sluit ook aan bij het systeem van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, bij de Regeling procesgang en bij het bepaalde in artikel 7:658a van het BW. Verder neemt de Raad in aanmerking dat de wetgever blijkens de memorie van toelichting van de Wet WIA voor ogen heeft gestaan dat voor het beoordelen van de re-integratie-inspanningen gebruikt wordt gemaakt van de Beleidsregels (TK 2004-2005, 30 034, nr. 3, pag. 35).

13.5. Voor zover appellante zich op het standpunt stelt dat het haar in de periode die hier van belang is niet duidelijk kon zijn aan welke vereisten de re-integratie-inspanning moest voldoen, omdat de Beleidsregels daarover volgens appellante eerst na die periode duidelijkheid hebben gegeven met de wijziging daarvan bij Besluit van 17 oktober 2006, in werking getreden op 18 november 2006, deelt de Raad dit standpunt niet. Zoals hiervoor onder 10.2 is overwogen, is de verplichting van appellante om zich in te spannen voor re-integratie van de werkneemster bij een andere werkgever met ingang van

1 januari 2004 neergelegd in artikel 7:658a, eerste lid, van het BW. Gelet op deze verplichtingen, bezien in samenhang met de verplichtingen van de werkgever in de periode hier in geding op grond van Arbeidsomstandighedenwet – waaronder de gehoudenheid van de werkgever om zich te laten bijstaan door een gecertificeerde arbodienst bij de begeleiding van zieke werknemers – wist dan wel behoorde appellante ook voorafgaand aan 18 november 2006 te weten dat zij zich moest inspannen voor het bevorderen van de re-integratie van de werknemer in het eerste en tweede spoor en moet zij geacht worden bekend te (kunnen) zijn geweest met de middelen en activiteiten die daarbij ingezet en verricht kunnen worden.

13.6. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv terecht aangenomen dat geen sprake is van een bevredigend resultaat als bedoeld in de Beleidsregels. Vast staat immers dat het in de periode die hier ter beoordeling staat niet is gekomen tot werkhervatting van de werkneemster. Dat brengt mee dat het Uwv gelet op de Beleidsregels kon toekomen aan een beoordeling van de re-integratie-inspanningen.

14. Het besluit tot oplegging van de in geding zijnde loonsanctie is een door het Uwv ambtshalve genomen besluit met een voor appellante belastend karakter. Gelet daarop – en mede in aanmerking genomen de Beleidsregels – is het naar het oordeel van de Raad aan het Uwv om aannemelijk te maken dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, en daarbij te beoordelen of dit zonder deugdelijke grond is geschied. Uit artikel 65 van de Wet WIA volgt dat het bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen gaat om de vraag of de werkgever daartoe in redelijkheid heeft kunnen komen. Het Uwv dient zijn besluit in dit verband deugdelijk te motiveren en zal zich daarbij moeten houden aan de uitgangspunten van de Regeling procesgang en het beoordelingskader van de Beleidsregels. Bovenstaande eisen gaan niet zover dat het Uwv de concreet door appellante te nemen stappen ten aanzien van de re-integratie van de werkneemster moet formuleren. De concrete invulling van de re-integratie is een taak van appellante als werkgever. Dat laat echter onverlet dat het bepaalde in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA meebrengt dat de door het Uwv bij het besluit tot oplegging van de loonsanctie gegeven motivering zodanig concreet dient te zijn, dat het de werkgever op basis daarvan voldoende duidelijk kan zijn waaruit zijn tekortkoming ten aanzien van de re-integratie-inspanningen bestaat. Immers, alleen dan zal de werkgever overeenkomstig artikel 25, negende lid, van de Wet WIA in de gelegenheid zijn om die tekortkoming te herstellen.

15.1. Blijkens het bestreden besluit is de conclusie van het Uwv met betrekking tot de re-integratie-inspanningen van appellante neergelegd in de rapportage van de arbeidsdeskundige van 23 oktober 2006 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 12 maart 2007. Daarbij wordt het standpunt ingenomen dat in april 2006 al duidelijk was dat de werknemer blijvende beperkingen had voor polsbelastende arbeid en dat daarom vanaf april 2006 had moeten worden gekeken naar aangepast werk bij appellante of bij een andere werkgever. Nu dat niet is gedaan, is volgens het Uwv sprake van onvoldoende re-integratie-inspanningen.

15.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft in de rapportage van 20 augustus 2007, mede naar aanleiding van de door appellante in beroep overgelegde brief van de bedrijfsarts van 5 juli 2007, gesteld dat juli 2006 het beginpunt had moeten zijn van het inzetten van re-integratie in het tweede spoor. Anders dan appellante stelt, is hiermee geen sprake van een na afloop van de wachttijd genomen, geheel nieuw besluit tot oplegging van een loonsanctie, maar slechts van een nadere motivering van het bestreden besluit.

15.3. Er is geen grond om te oordelen dat het arbeidskundig onderzoek onvolledig is geweest of dat het Uwv ten onrechte een onderzoek door een verzekeringsarts achterwege heeft gelaten. De Raad is niet gebleken dat de arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige niet alle relevante gegevens bij hun conclusie hebben betrokken. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat er in dit geval geen aanleiding was voor de verzekeringsarts om de werknemer te onderzoeken, nu er voldoende gegevens beschikbaar waren van de bedrijfsarts over de medische beperkingen van de werknemer, terwijl tussen partijen de aard en omvang van die beperkingen als zodanig ook niet ter discussie staat.

15.4. De Raad is van oordeel dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Uit de stukken blijkt dat er vanaf april 2006 tot in ieder geval 26 oktober 2006, de datum van het primaire besluit, geen re-integratieactiviteiten hebben plaatsgevonden. Appellante heeft blijkens een gespreksverslag van 12 september 2006 wel met de werknemer gesproken over aangepast werk en omscholing, maar daarbij is het initiatief kennelijk geheel bij de werknemer gelegd en van enige concrete actie van appellante gericht op re-integratie is geen sprake geweest. De Raad onderschrijft het standpunt van het Uwv dat de stelling van appellante dat sprake was van een gecompliceerde en onzekere medische toestand geen deugdelijke grond oplevert als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA om re-integratie-inspanningen achterwege te laten. Gelet op de medische gegevens – waaronder de periodieke evaluatie van de bedrijfsarts van 19 juli 2006 – was vanaf juli 2006 duidelijk dat de werknemer geschikt was voor minder armbelastend werk vanwege beperkingen aan de rechter pols. Het Uwv heeft in het in beroep ingediende verweerschrift van 11 juni 2007 terecht gesteld dat appellante dus in ieder geval vanaf juli 2006 al had kunnen onderzoeken welke re-integratiemogelijkheden er gelet op de bestaande beperkingen in aangepast werk bij appellante of eventueel bij een andere werkgever aanwezig waren.

16. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de Raad met de rechtbank van oordeel is dat het Uwv terecht een loonsanctie heeft opgelegd aan appellante. Aangevallen uitspraak 1 wordt daarom bevestigd.

Met betrekking tot aangevallen uitspraak 2 (de bekorting van de loonsanctie)

17. In deze zaak is in geschil of het Uwv terecht heeft geweigerd om de loonsanctie te bekorten. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of appellante haar tekortkoming ten aanzien van de re-integratie-inspanningen heeft hersteld.

18. Blijkens het bestreden besluit is de conclusie van het Uwv met betrekking tot de vraag of de tekortkoming ten aanzien van de re-integratie-inspanningen is hersteld, neergelegd in de rapportages van de arbeidsdeskundige van 29 mei 2007, van de bezwaarverzekeringsarts van 14 december 2007 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 2 januari 2008. Daarbij wordt het standpunt ingenomen dat er niet is gebleken van een onderzoek naar de interne mogelijkheden voor passende arbeid en dat weliswaar re-integratieactiviteiten zijn verricht ten aanzien van het tweede spoor, maar dat die laatste activiteiten zich hebben beperkt tot inlevering van een trajectplan en dat van een bevredigend of afgerond traject geen sprake is.

19. Niet in geschil is dat appellante bij brief van 11 december 2006 de melding heeft gedaan, als bedoeld in artikel 25, twaalfde lid, van de Wet WIA, inhoudende dat zij van mening is dat zij de tekortkoming heeft hersteld. Vast staat dat het Uwv niet, zoals voorgeschreven in artikel 25, dertiende lid, van de Wet WIA, binnen drie weken nadien een besluit heeft genomen naar aanleiding van die melding. Dat besluit is pas genomen op 30 mei 2007. Anders dan appellante stelt, brengt het niet tijdig nemen van dat besluit echter niet mee dat de loonsanctie niet meer mocht worden gehandhaafd en moest worden bekort. Uit artikel 25, veertiende lid, van de Wet WIA volgt dat aan het te laat nemen van een besluit in dit kader slechts gevolgen worden verbonden voor zover alsnog herstel van de tekortkoming plaatsvindt. In dat geval eindigt het tijdvak waarover de loonsanctie is opgelegd – kort gezegd – zoveel eerder als het besluit later is afgegeven dan de beslistermijn van drie weken. De wijziging van artikel 25, veertiende lid, van de Wet WIA bij Wet van 29 november 2007 (Stb. 551, in werking getreden op 1 januari 2008, Stb. 552) leidt, daargelaten de vraag of dit geval moet worden beoordeeld aan de hand van die gewijzigde bepaling, niet tot een ander resultaat, omdat de wetgever ook daarbij slechts gevolgen heeft willen verbinden aan het te laat nemen van een besluit voor zover alsnog herstel van de tekortkoming plaatsvindt (TK 2007-2008, 31 229, nr. 3, pag. 10).

20. De Raad volgt appellante niet in haar betoog dat het Uwv bij de weigering om de loonsanctie te verkorten in strijd met artikel 25, negende lid, van de Wet WIA is uitgegaan van een resultaatsverplichting. Het betoog van appellante vindt geen steun in de hiervoor genoemde rapportages van de arbeidsdeskundige, de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige, blijkens welke de re-integratie-inspanningen van appellante zijn beoordeeld. Anders dan appellante meent, houdt de stelling in de rapportage van de arbeidsdeskundige van 29 mei 2007 dat geen sprake is van een afgerond traject ten aanzien van het tweede spoor, niet in dat wordt uitgegaan van een resultaatsverplichting. De Raad kan het Uwv volgen in de uiteenzetting in het in beroep ingediende verweerschrift van 27 mei 2008, namelijk dat de arbeidsdeskundige hiermee heeft beoogd aan te geven dat appellante te lang heeft gewacht met inschakeling van een re-integratiebureau en dat met het enkele opstellen van een trajectplan onvoldoende voortvarend is gehandeld.

21. Gelet op het bepaalde in artikel 25, twaalfde lid, van de Wet WIA ligt het op de weg van appellante om aan te tonen dat zij de tekortkomingen ten aanzien van de re-integratie-inspanningen heeft hersteld. Naar het oordeel van de Raad is appellante daarin niet geslaagd. Uit de brief van appellante van 12 februari 2007 blijkt dat zij heeft besloten om alsnog door een arbeidsdeskundige te laten onderzoeken welke mogelijkheden tot re-integratie er waren bij appellante of bij een andere werkgever. Vervolgens is een re-integratiebureau ingeschakeld dat een arbeidsintegratieplan heeft uitgebracht op 29 maart 2007, waarin een loopbaanonderzoek wordt gepland in april 2007 en re-integratiebegeleiding vanaf mei 2007. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat deze activiteiten van appellante onvoldoende zijn om de tekortkoming hersteld te achten. Niet gebleken is van enig onderzoek naar de mogelijkheden voor passende arbeid binnen de onderneming van appellante, zoals door haar aangekondigd in de brief van 12 februari 2007. In genoemd arbeidsintegratieplan worden in dit verband geen concrete activiteiten genoemd en ook anderszins komt uit de stukken niet naar voren dat door appellante enige actie is ondernomen. Reeds op grond daarvan moet worden geconcludeerd dat van een herstel van de tekortkoming geen sprake is. Verder volgt de Raad het Uwv in de stellingname dat ook ten aanzien van re-integratie in het tweede spoor niet adequaat is gehandeld door appellante. Nadat de loonsanctie in oktober 2006 was opgelegd, heeft appellante gewacht tot februari 2007 met het inschakelen van een re-integratiebureau. Vervolgens worden blijkens het arbeidsintegratieplan concrete re-integratieactiviteiten pas in gang gezet in april/mei 2007. Terecht stelt het Uwv zich op het standpunt dat appellante hiermee onvoldoende voortvarend is opgetreden en ook in zoverre de tekortkoming niet heeft hersteld.

22. Voor zover appellante soortgelijke argumenten heeft aangevoerd als in het hoger beroep gericht tegen aangevallen uitspraak 1, verwijst de Raad naar hetgeen daarover is overwogen.

23. De Raad komt tot de conclusie dat het Uwv terecht heeft geweigerd de loonsanctie te bekorten. Aangevallen uitspraak 2 komt dus voor bevestiging in aanmerking.

Met betrekking tot aangevallen uitspraak 1 (de loonsanctie) en aangevallen uitspraak 2 (de bekorting van de loonsanctie)

24. De Raad ziet geen aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt aangevallen uitspraak 1;

Bevestigt aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en P.J. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) F. Heringa.

KR