Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3709

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
19-11-2009
Zaaknummer
08-6279 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Schattingsbesluit niet in strijd met artikel 1 van het EP behorende bij het EVRM. Van feiten of omstandigheden die meebrengen dat de toepassing van het Schattingsbesluit – in het bijzonder artikel 9, aanhef en onder a – voor appellante leidt tot een “individual en excessive burden” is de Raad niet gebleken. Ook het beroep op artikel 12 van het ESH kan geen doel treffen. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (onder meer in zijn uitspraak van 30 juni 2006, LJN AX9706), kan de door appellante aangehaalde bepaling van het ESH niet een ieder verbinden in de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. Zorgvuldigheid medische en arbeidskundige onderzoeken.

Wetsverwijzingen
Europees Sociaal Handvest, Turijn, 18-10-1961 12, geldigheid: 2009-11-18
Grondwet 93, geldigheid: 2009-11-18
Grondwet 94, geldigheid: 2009-11-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/6279 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 september 2008, 07/878 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.D. van Alphen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2009. Appellante is, met berichtgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Klaver.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als sterilisatieassistente voor 36 uur per week toen zij op 20 juni 2001 voor dit werk in verband met rugklachten is uitgevallen. Aan appellante is met ingang van 24 september 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

1.2. Appellante is in het kader van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 2004 (hierna: het Schattingsbesluit) herbeoordeeld, in welk verband zij op 1 maart 2007 onderzocht is door de verzekeringsarts C. Sjobbema. Deze verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellante in staat is arbeid te verrichten die in overeenstemming is met haar beperkingen, zoals weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 1 maart 2007. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige G.M. Lohmann op 26 maart 2007 een rapport uitgebracht. In dit rapport is zij tot de conclusie gekomen dat appellante geschikt kan worden geacht voor functies die vanuit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) zijn verkregen. Op basis van drie van deze functies heeft de arbeidsdeskundige het verlies aan verdiencapaciteit van appellante berekend op 7,61%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 28 maart 2007 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 27 mei 2007 ingetrokken.

1.3. Bij besluit van 27 juli 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante, na een heroverweging op basis van de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp en de bezwaararbeidsdeskundige P.M.J. Kursten, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de medische beperkingen van appellante niet zijn onderschat en dat haar belastbaarheid in de geduide functies niet wordt overschreden. Voorts heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de Nota van Toelichting bij het Schattingsbesluit, Staatsblad 2004, nr. 434, geoordeeld dat er geen grond bestaat om artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit wegens strijd met artikel 1 Eerste Protocol (EP), behorende bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of artikel 12 van het Europees Sociaal Handvest (ESH), buiten toepassing te laten.

3. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit, wegens strijd met artikel 1 EP, behorende bij het EVRM of artikel 12 van het ESH, buiten toepassing dient te worden gelaten, nu dit Schattingsbesluit voldoende realiteitswaarde ontbeert. Er kan niet worden gegarandeerd dat een functie in alle vijf regio’s, waarin Nederland is verdeeld in het CBBS, voorkomt, aldus appellante.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De grief van appellante dat het Schattingsbesluit in strijd moet worden geacht met artikel 1 van het EP behorende bij het EVRM, kan de Raad – evenals de rechtbank – niet volgen. Daartoe overweegt de Raad allereerst dat, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 29 december 2008 (LJN BH0867), een schatting op grond van artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit, een voldoende reëel karakter heeft. In zijn uitspraak van 10 juli 2008 (LJN BD8561) heeft de Raad geoordeeld dat het Schattingsbesluit niet in strijd komt met artikel 1 van het EP behorende bij het EVRM. Naar het oordeel van de Raad zijn door appellante geen gronden naar voren gebracht die meebrengen dat het in deze uitspraken neergelegde oordeel geen stand kan houden. Van feiten of omstandigheden die meebrengen dat de toepassing van het Schattingsbesluit – in het bijzonder artikel 9, aanhef en onder a – in het onderhavige geval voor appellante leidt tot een “individual en excessive burden” is de Raad niet gebleken. De enkele opmerking dat het Schattingsbesluit voldoende realiteitswaarde ontbeert nu niet kan worden gegarandeerd dat een functie in alle vijf regio’s voorkomt, acht de Raad, in het licht van het bovenstaande, onvoldoende om tot een ander oordeel te komen dan neergelegd in de uitspraak van 10 juli 2008.

4.3. Ook het beroep op artikel 12 van het ESH kan geen doel treffen. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (onder meer in zijn uitspraak van 30 juni 2006, LJN AX9706), kan de door appellante aangehaalde bepaling van het ESH niet een ieder verbinden in de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. Gelet op de bewoordingen en strekking van de bedoelde bepaling is daarin veeleer sprake van algemeen geformuleerde doelstellingen, tot het nastreven en verwezenlijken waarvan in hun regelgeving de verdragstaten zich hebben verbonden, dan van een door die verdragstaten erkend recht, waarop de burgers zich in hun nationale rechtsorde zonder meer kunnen beroepen. Derhalve valt niet in te zien waarom met betrekking tot genoemde bepalingen een uitzondering zou moeten worden aangenomen op de in het algemeen gestelde regel, als verwoord in de Memorie van Toelichting bij de wet tot goedkeuring van het ESH (Bijl. Hand. II 1965-1966, 8606, nr. 3), te weten dat het ESH geen "interne werking" heeft in de deelnemende staten en dat onderdanen van partijen derhalve geen beroep kunnen doen op het ESH voor een nationaalrechtelijke instantie.

4.4. De Raad is tot slot van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en de uitkomst van de medische en arbeidskundige onderzoeken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit. De Raad verenigt zich met hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen, welke overwegingen de Raad tot de zijne maakt. Daarbij merkt de Raad nog op dat de arbeidsdeskundige Lohmann in haar rapportages van 9 maart 2007 en 26 maart 2007 en bezwaararbeidsdeskundige Kursten in zijn rapportage van 26 juli 2007, aangevuld met een rapportage van bezwaararbeidsdeskundige J. Langebeeke van 8 september 2009, genoegzaam hebben gemotiveerd waarom de belasting in de geselecteerde functies geen overschrijding oplevert van de belastbaarheid van appellante.

5. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op juiste gronden de WAO-uitkering van appellante met ingang van 27 mei 2007 heeft ingetrokken. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en P.J. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) J.M. Tason Avila.

TM