Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3708

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
19-11-2009
Zaaknummer
08-6705 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loon tijdens ziekte met 52 weken. Gelet op de bevindingen van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts heeft werkgeefster vanaf april 2007 niet kunnen volstaan met inspanningen gericht op re-integratie in het eigen bedrijf. Terecht heeft de bezwaararbeidsdeskundige erop gewezen dat werknemer en werkgever samen zowel de interne als de externe arbeidsmogelijkheden dienen te onderzoeken. Het aantal werkuren en de reistijd is in dit geval geen reden is om af te zien van re-integratie, terwijl het aan werkgeefster is een keuze te maken ten aanzien van concrete re-integratieactiviteiten en de daarmee gepaard gaande kosten. De stelling van werkgeefster die erop neerkomt dat de loonsanctie een bestraffend karakter heeft omdat deze haar financieel onevenredig zwaar zou belasten, verwerpt de Raad( zie ook : LJN BK1570). Werkgeefster heeft zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6705 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 13 oktober 2008, 07/1944 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Werkgeefster], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: werkgeefster)

en

appellant.

Datum uitspraak: 18 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens werkgeefster heeft mr. J.M. Baremans, advocaat te Apeldoorn, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.T.B. van der Werf. Werkgeefster heeft zich laten vertegenwoordigen door G.J. Gouman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 22 juni 2007 heeft appellant het tijdvak waarin [werkneemster] (hierna: werkneemster) jegens werkgeefster recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken verlengd tot 19 augustus 2008. De verlenging – ook wel kortweg loonsanctie genoemd – is opgelegd in aansluiting op de afloop van de wachttijd van 104 weken op de grond dat de re-integratie-inspanningen van werkgeefster onvoldoende zijn geweest. Daarbij heeft appellant toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65 van de Wet WIA.

1.2. Werkgeefster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 1 oktober 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat werkgeefster zonder deugdelijke grond onvoldoende inspanningen gericht op re-integratie bij een andere werkgever – het zogenaamde tweede spoor – heeft verricht.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt, appellant veroordeeld in de proceskosten en bepaald dat hij het door werkgeefster betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet kan worden gesproken van een bevredigend re-integratieresultaat. Voorts is geoordeeld dat appellant onvoldoende heeft onderzocht of op deugdelijke grond geen bevredigend re-integratieresultaat is bereikt en onvoldoende heeft gemotiveerd of er een reële kans was dat het tweede spoor tot een positief resultaat zou leiden.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een resultaatsverplichting en dat het niet aan appellant is te onderzoeken of een re-integratietraject tot een positief resultaat zal leiden. Werkgeefster heeft gesteld dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.1. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank bij de toepassing van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA een onjuist criterium aangelegd voor zover zij heeft overwogen dat het op de weg van appellant ligt om aan te tonen dat sprake zou zijn geweest van een re?le kans dat het tweede spoor tot een positief resultaat zou hebben kunnen leiden. De Raad verwijst naar hetgeen hij heeft overwogen in zijn uitspraak van heden met procedurenummers 07/7069 WIA en 08/7101 WIA. Daarin is onder meer tot uitdrukking gebracht dat het aan appellant is om aannemelijk te maken dat werkgeefster onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, en daarbij te beoordelen of dit zonder deugdelijke grond is geschied.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat. Ter beoordeling staat of werkgeefster in redelijkheid tot de re-integratie-inspanningen heeft kunnen komen die zijn verricht.

4.3. In de aangevallen uitspraak is overwogen dat pas in het voorjaar van 2007 duidelijk is geworden dat re-integratie in het bedrijf van werkgeefster niet meer mogelijk was. Appellant heeft verklaard dat het hoger beroep niet is gericht tegen deze overweging van de rechtbank. Van de zijde van werkgeefster is erkend dat vanaf april 2007 geen mogelijkheden aanwezig waren voor re-integratie van werkneemster in het eigen bedrijf en geen inspanningen gericht op inschakeling in het bedrijf van een andere werkgever hebben plaatsgevonden. Het geschil spitst zich derhalve toe op de vraag of werkgeefster in redelijkheid heeft mogen volstaan met de tot april 2007 verrichte inspanningen gericht op re-integratie in het eigen bedrijf en heeft mogen afzien van het inzetten van een extern re-integratietraject.

4.4. Werkgeefster heeft gesteld dat re-integratie vanaf april 2007 geen zin meer had en haar financieel onevenredig zwaar zou belasten. Werkgeefster heeft in dit verband gewezen op de medische beperkingen van werkneemster, haar beperkte opleidingsniveau, het geringe aantal werkuren per week en de kosten van een extern re-integratietraject. Appellant heeft gesteld dat de door werkgeefster genoemde omstandigheden onverlet laten dat werkgeefster gehouden was een extern re-integratietraject in te zetten. De kosten van dat traject behoren bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen geen rol te spelen.

4.5. De Raad overweegt voorts als volgt.

4.6. Werkneemster is op 23 augustus 2005 uitgevallen vanuit haar werk als interieurverzorgster voor zeven tot acht uur per week. In maart 2006 heeft werkneemster het eigen werk voor één uur per week hervat. Vanaf augustus 2006 heeft zij voor vier uur per week het eigen werk verricht. Nadien is werkneemster nog herhaaldelijk uitgevallen.

4.7. In maart 2006 heeft de arbeidsdeskundige van de Arbo-dienst geadviseerd een tweede-spoortraject op te starten als blijkt dat het eigen werk te zwaar is en er bij de eigen werkgever geen alternatief werk voorhanden is. De bedrijfsarts heeft aangegeven dat werkneemster vanaf 10 april 2007 voor vier uur per week werkzaam is. Zij wordt in bepaalde taken ontzien. De bedrijfsarts heeft toegelicht dat de re-integratie moeizaam verloopt in verband met hardnekkige klachten. Werkneemster heeft toenemende beperkingen aan beide handen en armbeperkingen.

4.8. De verzekeringsarts heeft overwogen dat werkneemster per december 2006 geschikt is voor lichamelijk lichtere werkzaamheden. De bezwaararbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat al in december 2006 is vastgesteld dat de re-integratie-inspanningen in het eerste spoor niet tot een duurzame volledige hervatting zouden leiden. Volgens de bezwaararbeidsdeskundige heeft werkgeefster nog in april een extern re-integratietraject kunnen opstarten.

4.9. De Raad is met appellant van oordeel dat werkgeefster ten onrechte geen extern re-integratietraject heeft ingezet. Gelet op de bevindingen van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts heeft werkgeefster vanaf april 2007 niet kunnen volstaan met inspanningen gericht op re-integratie in het eigen bedrijf. De medische beperkingen doen daaraan niet af. Terecht heeft de bezwaararbeidsdeskundige erop gewezen dat werknemer en werkgever samen zowel de interne als de externe arbeidsmogelijkheden dienen te onderzoeken.

4.10. Ook de overige door werkgeefster genoemde omstandigheden doen niet af aan de gehoudenheid van de werkgever om een extern re-integratietraject op te starten. De Raad is met de bezwaararbeidsdeskundige van oordeel dat die omstandigheden geen deugdelijke grond opleveren om op voorhand iedere re-integratie-inspanning ten aanzien van het tweede spoor achterwege te laten. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat de werkneemster blijkens de stukken ondanks fysieke beperkingen in staat is te werken, en dat de bezwaararbeidsdeskundige kan worden gevolgd in het standpunt, ingenomen in de rapportage van 26 september 2007, dat het aantal werkuren en de reistijd in dit geval geen reden is om af te zien van re-integratie, terwijl het aan werkgeefster is een keuze te maken ten aanzien van concrete re-integratieactiviteiten en de daarmee gepaard gaande kosten.

4.11. De stelling van werkgeefster die erop neerkomt dat de loonsanctie een bestraffend karakter heeft omdat deze haar financieel onevenredig zwaar zou belasten, verwerpt de Raad onder verwijzing naar hetgeen hij heeft overwogen in zijn uitspraak van 28 oktober 2009 met procedurenummer 07/3312 WIA, LJN BK1570.

4.12. De Raad concludeert dat appellant terecht heeft vastgesteld dat werkgeefster zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en P.J. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) F. Heringa.

JL