Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3566

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
08-4651 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsartsen omtrent het niet aannemen van een urenbeperking. Uit de beschikbare gegevens, de informatie van de behandelende sector en het onderzoek van de verzekeringsartsen blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser verdergaand beperkt dient te worden geacht dan thans is aangenomen. Aan de eigen, niet met medische gegevens ondersteunde, mening van appellant over zijn gezondheidstoestand kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat appellant daaraan gehecht wil zien. Het namens appellant gedane verzoek hem in de gelegenheid te stellen zijn standpunt alsnog met medische stukken te mogen onderbouwen honoreert de Raad niet nu dit verzoek eerst ter zitting is gedaan en het niet nader is geconcretiseerd. De Raad acht de geschiktheid van de geduide functies in medisch opzicht voldoende toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/4651 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 juni 2008, 07/1321 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.M. Klerks, werkzaam bij ABVAKABO FNV te Rotterdam hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2009, waar appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. K.M. Schuijt.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Nadat appellant, die werkzaam was als gemeenteambtenaar, zich op 30 mei 2002 met een rughernia en psychische klachten ziek had gemeld, is hem na afloop van de wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Daarbij is uitgegaan van een urenbeperking van vier uur per dag.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellant op 14 maart 2006 onderzocht door de verzekeringsarts, die een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft opgesteld. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige op 14 april 2006 rapport uitgebracht, waarna bij besluit van 28 april 2006 de uitkering met ingang van 29 juni 2006 is herzien en berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65%.

2. Nadat de bezwaarverzekeringsarts op 30 november 2006 de FML nog had uitgebreid met een beperking voor tillen en een allergie voor huisstofmijt en ook de bezwaararbeidsdeskundige rapport had uitgebracht heeft het Uwv bij besluit van

10 januari 2007, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 april 2006 ongegrond verklaard.

3.1. Tegen het besluit van 10 januari 2007, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant beroep bij de rechtbank ingesteld.

3.2. De rechtbank heeft het beroep in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Zij heeft daarbij, kort gezegd, de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

4.1. Appellant kan zich met deze uitspraak niet verenigen en hij blijft van mening dat ten onrechte geen urenbeperking meer is gesteld. Appellant wijst erop dat hij op de in geding zijnde datum geen 30 maar 22 uur per week vrijwilligerswerk verrichtte met een geringe productiviteit, dat het re-integratiebedrijf hem zelfs drie maanden na de in geding zijnde datum nog niet in staat achtte tot betaald werk en dat zijn medische situatie in 2006 vergeleken met eerdere medische beoordelingen eerder is verslechterd vanwege de recent vastgestelde psoriasis die zijn slaapbehoefte nog heeft versterkt. Appellant stelt dat de verslechtering van zijn gezondheidstoestand zich nadien heeft voortgezet en heeft geleid tot een volledige decompensatie in de zomer van 2009.

4.2. Het Uwv heeft in verweer verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Het geding spitst zich toe op de vraag of de in 2003 gestelde urenbeperking tot 20 uur per week bij de onderhavige beoordeling terecht niet is gehandhaafd. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen, waarbij appellant is aangeduid als eiser:

“De verzekeringsartsen hebben op basis van het dagverhaal van eiser, het sinds 2003 verrichten van vrijwilligerswerk en het feit dat niet is gebleken van een behoefte tot slapen, de conclusie getrokken dat eiser beter in staat is structuur in zijn dag aan te brengen en dit ook vast te kunnen houden. De rechtbank gaat voorbij aan de verklaring van de school, nu het genoemde aantal van 22 uur per week in tegenspraak is met de verklaring van eiser aan de verzekeringsarts, die hij herhaald heeft tijdens de hoorzitting in bezwaar, dat hij ongeveer 30 uur per week als vrijwilliger werkte. Overigens blijkt uit de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts dat voor deze arts niet het exacte aantal uren doorslaggevend is geweest, maar veeleer het gegeven dat eiser een substantieel deel van de dag aan deze activiteiten kon besteden. Daarbij is niet gebleken van de noodzaak om overdag te rusten of te slapen.

Alles overziend ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsartsen omtrent het niet aannemen van een urenbeperking. Uit de beschikbare gegevens, de informatie van de behandelende sector en het onderzoek van de verzekeringsartsen blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser verdergaand beperkt dient te worden geacht dan thans is aangenomen.”

Hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten met betrekking tot zijn gezondheidstoestand op de in geding zijnde datum en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.

5.2. Uit het rapport van 30 november 2006 van de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat de informatie van 20 oktober 2006 van de dermatoloog inzake de psoriasis door het Uwv is meegewogen. Het moge zo zijn dat de gezondheidstoestand van appellant nadien is verslechterd, er zijn geen medische stukken in het geding gebracht die een nieuw licht werpen op de gezondheidstoestand van appellant rond de in geding zijnde datum. Aan de eigen, niet met medische gegevens ondersteunde, mening van appellant over zijn gezondheidstoestand kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat appellant daaraan gehecht wil zien. Het namens appellant gedane verzoek hem in de gelegenheid te stellen zijn standpunt alsnog met medische stukken te mogen onderbouwen honoreert de Raad niet nu dit verzoek eerst ter zitting is gedaan en het niet nader is geconcretiseerd.

5.3. Uitgaande van de juistheid van de bij appellant vastgestelde beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid op de in geding zijnde datum acht de Raad de geschiktheid van de geduide functies in medisch opzicht voldoende toegelicht met de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapportages.

6. Hetgeen in 5.1 tot en met 5.3 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.

7. De Raad ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende;

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) I.R.A. van Raaij.

TM