Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3555

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
09-605 WIA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Voldoende zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek, geen aanleiding dit onzorgvuldig en het medisch oordeel wat betreft zowel de beperkingen als ten aanzien van de door appellante geclaimde urenbeperking onjuist te achten. Evenals de rechtbank wijst de Raad erop dat Mirza bij haar onderzoek geen bewegings- of functiebeperkingen heeft vastgesteld. Voor het standpunt van appellante dat zij in verband met haar chronisch pijnsyndroom wel in staat is tot het verrichten van soortgelijk werk als haar maatmanfunctie maar alleen gedurende maximaal zes uur per dag en drie dagen per week heeft de Raad met Mirza met name in de informatie van de huisarts en de reumatoloog geen aanknopingspunten gezien. Evenals de rechtbank ziet de Raad dan ook geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige. De Raad stelt wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit voorop dat ter zitting is gebleken dat tussen partijen geen verschil van mening bestaat dat als maatmanfunctie dient te worden aangehouden de in overweging 1.1 vermelde functie. Deze functie is omschreven in het arbeidskundig rapport van 18 april 2007 en gewaardeerd als betreffende werkzaamheden van fysiek licht belastende afwisselende aard. De Raad heeft, in het bijzonder gelet op het advies van de reumatoloog aangaande werk, geen reden gezien appellante voor haar maatmanfunctie dan wel voor een soortgelijke functie bij een gemeente ongeschikt te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/605 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 december 2008, 08/304 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2009.

Namens appellante is haar gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was tot 1 september 2002 werkzaam als administratief medewerkster bij de gemeente Utrecht voor 36 uur per week en heeft zich vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet met ingang van 26 januari 2005 ziek gemeld in verband met pijnklachten.

1.2. Appellante is naar aanleiding van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 15 maart 2007 onderzocht door de verzekeringsarts T. Elbertsen. Deze had de beschikking over informatie van de huisarts van 4 januari 2006, waaruit naar voren kwam dat voor de pijnklachten van appellante geen somatische oorzaak gevonden kon worden en dat zij voor haar psychische klachten was doorverwezen. In een rapport van 10 april 2007 gaf Elbertsen aan dat appellante inmiddels was gestopt met de behandeling voor haar psychische klachten. In verband met een bij zijn eigen onderzoek vastgestelde verhoogde psychische kwetsbaarheid achtte Elbertsen appellante beperkt voor emotioneel belastende contacten. Wat betreft het lichamelijk onderzoek waren er geen specifieke afwijkingen en ook geen bewegingsbeperkingen. Volgens Elbertsen dienden zware belastingen te worden vermeden. Deze bevindingen werden vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Op basis hiervan werd appellante bij het arbeidskundig onderzoek geschikt geacht voor haar in overweging 1 omschreven voltijdse maatmanfunctie. Hierna stelde het Uwv bij besluit van 20 april 2007 vast dat appellante met ingang van 24 januari 2007 geen recht had op een Wet WIA-uitkering.

2. In de bezwaarprocedure bezocht appellante op 10 oktober 2007 het spreekuur van de bezwaarverzekeringsarts A. Mirza. Deze wees in haar rapport van 12 oktober 2007 op informatie van de huisarts van 12 juni 2007, waarin was opgenomen informatie van de behandelend neuroloog van 21 februari 2006. Uit de brief van de huisarts kwamen geen harde aanwijzingen voor onderliggend lijden in verband met de pijnklachten van appellante naar voren. De neuroloog vond geen afwijkingen, wel een nauw wervelkanaal op niveau L4-L5, maar geen duidelijke hernia of wortelcompressie. Bij haar eigen onderzoek nam Mirza geen functie- of bewegingsbeperkingen waar, concludeerde zij tot een discrepantie tussen de klachten enerzijds en de objectieve onderzoeksbevindingen anderzijds en zag zij, mede gelet op de in de FML opgenomen beperkingen, geen harde objectieve grond voor een urenbeperking. Het arbeidskundig onderzoek in de bezwaarprocedure leverde geen nieuwe gezichtspunten op, waarna het Uwv bij besluit van 3 december 2007 het tegen het besluit van 20 april 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaarde, daarbij onder andere vaststellende dat appellante geschikt is voor vervulling van de geduide functies.

3.1. De rechtbank schorste het onderzoek ter zitting van 3 juni 2008 en stelde appellante in de gelegenheid nadere informatie van de reumatoloog in te brengen. Voorts vroeg de rechtbank het Uwv toe te lichten of het bestreden besluit berustte op geschiktheid voor het eigen werk dan wel voor geduide functies.

3.2. De overgelegde brief van de reumatoloog van 19 juni 2008 liet zien dat er bij algemeen intern onderzoek, huidonderzoek en gewrichtsonderzoek geen bijzonderheden waren, dat sprake was van degeneratieve afwijkingen laag lumbaal, dat er geen aanwijzingen waren voor spondylartropathie en dat in verband met de pijnklachten werd geadviseerd tot verbetering van de conditie dan wel begeleiding door het pijnteam van de poli revalidatie. Deze bevindingen gaven Mirza op 26 september 2009 geen aanleiding haar eerdere visie te herzien.

3.3. In een rapport van 30 juli 2008 ging de bezwaararbeidsdeskundige J.G.W. de Wit in op de in de primaire en de bezwaarfase ook verrichte functieduiding en werd voorts geconcludeerd tot geschiktheid voor de meergenoemde maatmanfunctie. Afgaande op de van het proces-verbaal van de zitting van 14 november 2008 deel uitmakende penaantekeningen is het standpunt van het Uwv de geschiktheid van appellante voor de voltijdse maatmanfunctie.

3.4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 3 december 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond.

3.4.2. De rechtbank zag, na weging van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, geen aanleiding dit onzorgvuldig en het medisch oordeel wat betreft zowel de beperkingen als ten aanzien van de door appellante geclaimde urenbeperking onjuist te achten. In de in overweging 3.2 vermelde informatie van de reumatoloog zag de rechtbank geen aanknopingspunten om het oordeel van Engbertsen en Mirza voor onjuist te houden.

3.4.3. Voorts zag de rechtbank geen reden de naar haar oordeel voldoende gemotiveerde conclusie van het Uwv inzake de geschiktheid van appellante voor haar eigen werk voor onjuist te houden.

4. In hoger beroep is namens appellante - onder andere onder verwijzing naar de in overweging 3.2 vermelde informatie - aangevoerd dat de beperkingen onjuist zijn vastgesteld en dat appellante ongeschikt was voor haar voltijdse eigen werk dan wel de geduide functies.

5.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien om over de medische grondslag van het bestreden besluit anders te oordelen dan de rechtbank. Evenals de rechtbank wijst de Raad erop dat Mirza bij haar onderzoek geen bewegings- of functiebeperkingen heeft vastgesteld. Voor het standpunt van appellante dat zij in verband met haar chronisch pijnsyndroom wel in staat is tot het verrichten van soortgelijk werk als haar maatmanfunctie maar alleen gedurende maximaal zes uur per dag en drie dagen per week heeft de Raad met Mirza met name in de informatie van de huisarts en de reumatoloog geen aanknopingspunten gezien. De Raad wijst op het advies van de in overweging 3.2 vermelde brief van de reumatoloog ter zake van het chronisch pijnsyndroom. Voorts kan er niet aan worden voorbijgezien dat de reumatoloog in een ter zitting van de rechtbank op 14 november 2008 overgelegde brief van 13 november 2008 heeft geadviseerd tot licht afwisselend werk en verder geen beperkingen heeft vermeld behoudens het tillen van zware voorwerpen vanwege beginnende gonartrose. Evenals de rechtbank ziet de Raad dan ook geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.

5.2.1. De Raad stelt wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit voorop dat ter zitting is gebleken dat tussen partijen geen verschil van mening bestaat dat als maatmanfunctie dient te worden aangehouden de in overweging 1.1 vermelde functie. Deze functie is omschreven in het arbeidskundig rapport van 18 april 2007 en gewaardeerd als betreffende werkzaamheden van fysiek licht belastende afwisselende aard. De Raad heeft, in het bijzonder gelet op het advies van de reumatoloog aangaande werk, geen reden gezien appellante voor haar maatmanfunctie dan wel voor een soortgelijke functie bij een gemeente ongeschikt te achten.

5.2.2. Gelet op overweging 5.2.1 kan verder in het midden blijven of de rechtbank met juistheid ervan is uitgegaan dat het standpunt van het Uwv zich beperkte tot geschiktheid voor de maatmanfunctie. Gezien overweging 5.2.1 komt de Raad immers niet toe aan bespreking van de medische geschiktheid van appellante voor de bij het arbeidskundig onderzoek ook vermelde functies. Inzake functieduiding moet de Raad overigens vaststellen dat het Uwv in de loop van de procedure niet een geheel éénduidig standpunt heeft ingenomen omtrent de vraag of die functieduiding een subsidiair standpunt betrof.

5.3. De overwegingen 5.1 tot en met 5.2.2 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) F. Heringa.

KR