Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3519

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
08-3475 ZW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling dagloon ZW. Uwv heeft aangegeven dat dagloon te laag is vastgesteld. De Raad vernietigt besluit en stelt dagloon vast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3475 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 april 2008, 07/3363 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 5 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.G. Evers, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 9 september 2009. Partijen zijn met bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

2.1. Appellant is via Uitzendbureau [K.] B.V. werkzaam geweest als horecamedewerker bij [naam coffeeschop].

2.2. Op 19 april 2006 heeft appellant zich ziek gemeld. Bij besluit van 1 november 2006 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 19 april 2006 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend, berekend naar een dagloon van € 17,53. In verband met een hersteldmelding is de ZW-uitkering per 24 april 2006 beëindigd.

2.3. Op 27 april 2006 heeft appellant zich ziek gemeld. Bij besluit van - eveneens - 1 november 2006 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 27 april 2006 een ZW-uitkering toegekend, berekend naar een dagloon van € 20,59. In verband met een hersteldmelding is de ZW-uitkering per 1 mei 2006 beëindigd.

2.4. Op 10 juli 2006 heeft appellant zich wederom ziek gemeld. Bij besluit van 29 september 2006 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 10 juli 2006 een ZW-uitkering toegekend, berekend naar een dagloon van € 30,81. In verband met een hersteldmelding is de ZW-uitkering per 18 september 2006 beëindigd.

2.5. Bij besluit van 30 maart 2007 heeft het Uwv - voor zover hier van belang - de tegen de besluiten van 1 november 2006 en 29 september 2006 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 maart 2007 ongegrond verklaard.

4. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. In artikel 15, eerste lid van de ZW is - voor zover hier van belang - bepaald dat voor de berekening van het ziekengeld waarop op grond van deze wet recht bestaat, als dagloon wordt beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangifte tijdvak voorafgaand aan het aangifte tijdvak waarin de ongeschiktheid tot werken is ingetreden, verdiende. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld. Met deze algemene maatregel van bestuur is het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (hierna: het Besluit) bedoeld.

5.2. Op grond van de in het Besluit gehanteerde dagloonsystematiek wordt het dagloon gebaseerd op het loon dat in een periode in het verleden (de referteperiode) feitelijk is verdiend en waarover tevens premie is betaald. In artikel 3, eerste lid, van het Besluit is tot uitgangspunt genomen het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten, waarbij onder refertejaar wordt verstaan de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid dan wel het arbeidsurenverlies is ingetreden.

5.3. Naar het oordeel van de Raad is het Uwv terecht uitgegaan van het loon dat appellant in zijn referteperiode daadwerkelijk heeft genoten/ontvangen en door zijn werkgever [K.] Uitzendbureau B.V. aan het Uwv als premieplichtig loon is opgegeven. Dat dit loon hoger had moeten zijn omdat appellant feitelijk veel meer uren zou hebben gewerkt en (in ieder geval deels) zwart zou hebben gewerkt is niet met objectieve verifieerbare gegevens onderbouwd.

5.4. Bij brief van 27 augustus 2009 heeft het Uwv de Raad meegedeeld dat het dagloon van appellant per 27 april 2006 gewijzigd vastgesteld moet worden op € 27,62. Appellant heeft tegen het gewijzigde dagloon als zodanig geen bezwaren ingebracht en dit nieuwe dagloon komt de Raad ook niet onjuist voor.

5.5. De Raad stelt voorop dat uit 5.4 volgt dat het Uwv het besluit van 30 maart 2007 voor wat betreft de vaststelling van het dagloon per 27 april 2006 niet handhaaft. De Raad acht het aangewezen om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, en wel door het besluit van 30 maart 2007 te vernietigen voor zover het betreft de vaststelling van het dagloon per 27 april 2006, en het dagloon per 27 april 2006 vast te stellen op € 27,62. Hieruit vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het dagloon per 27 april 2006 in stand is gelaten, dient te worden vernietigd en het beroep tegen het besluit van 30 maart 2007 gegrond dient te worden verklaard.

5.6. De grief van appellant dat de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 maart 2007 gegrond had dienen te verklaren - onder veroordeling van het Uwv in de proceskosten - omdat het Uwv in het besluit van 30 maart 2007 ten onrechte de (reeds vervallen) Dagloonregeling Ziektewet heeft genoemd als motivering van dat besluit behoeft, nog daargelaten wat daar van zij, geen bespreking meer. Zoals onder 5.5 is overwogen ziet de Raad immers reeds op een andere grond aanleiding de aangevallen uitspraak (deels) te vernietigen, onder veroordeling van het Uwv in de proceskosten.

6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het dagloon per 27 april 2006 in stand is gelaten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 30 maart 2007 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarbij het besluit van 1 november 2006 inzake het dagloon per 27 april 2006 ter hoogte van € 20,59 is gehandhaafd;

Stelt het dagloon van appellant per 27 april 2006 vast op € 27,62;

Veroordeelt het Uwv tot betaling van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--, waarvan € 322,-- dient te worden betaald aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

DW