Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3512

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
09-1294 AKW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op kinderbijslag over de periode van het eerste en het tweede kwartaal van 2007, omdat appellante niet verzekerd is voor de AKW. Geen ondersteuning voor de stelling van appellante dat het middelpunt van haar maatschappelijk leven reeds op de peildatum van het tweede kwartaal 2007 in Nederland ligt en dat zij dientengevolge heeft voldaan aan de voorwaarden om verzekerd te zijn voor de AKW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1294 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 30 januari 2009, 08/705 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 5 november 2009.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 28 augustus 2009 heeft mr. M.J.M. Peeters, advocaat te Amsterdam de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2009, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Peeters en S.M. Razaghi, tolk. De Svb heeft zich doen vertegenwoordigen door A. van de Weerd, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

1.1. Appellante die de Nigeriaanse nationaliteit bezit is op 8 januari 2007 vanuit België naar Nederland gekomen. Haar toenmalige partner en haar zoon verbleven sedert 31 juli 2006 in Nederland. Op 23 augustus 2007 heeft appellante verzocht om kinderbijslag voor haar zoon, geboren [in] 2002. Bij besluit van 1 februari 2008 heeft de Svb appellante medegedeeld dat zij geen recht op kinderbijslag heeft omdat zij niet als verzekerde ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) wordt aangemerkt. Het tegen dit besluit ingestelde bezwaar heeft de Svb bij besluit van 25 april 2008 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.

3. Ter zitting van de Raad heeft appellante haar verzoek om kinderbijslag over het vierde kwartaal 2006 niet langer gehandhaafd. In hoger beroep is derhalve nog in geschil het antwoord op de vraag of de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante over de periode van het eerste en het tweede kwartaal van 2007 geen recht heeft op kinderbijslag, omdat zij niet verzekerd is voor de AKW.

3.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AKW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van de wet degene die:

a) ingezetene is;

b) geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Niet in geschil is dat appellante op de peildatum van het eerste en tweede kwartaal van 2007 niet ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting was onderworpen.

4.2. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont. De vraag, waar een persoon woont, wordt voor de toepassing van de AKW, ingevolge artikel 3, eerste lid, van die wet naar de omstandigheden beantwoord. Naar vaste jurisprudentie van de Raad is daarbij in het bijzonder van belang in welke mate er sprake is van een sociale, economische en juridische binding van de betrokken persoon met Nederland. Aangenomen moet worden dat op het moment waarop gezien deze criteria het middelpunt van het maatschappelijk leven geacht kan worden in Nederland te zijn gelegen, de betrokken persoon woonplaats in Nederland heeft.

4.3. Met betrekking tot het verzoek om kinderbijslag over het eerste kwartaal van 2007 is de Raad van oordeel dat appellante zich eerst op 8 januari 2007 in Nederland heeft gevestigd. Op de peildatum van het eerste kwartaal, te weten 1 januari 2007 verbleef appellante niet in Nederland zodat zij reeds op die grond niet als ingezetene kan worden aangemerkt.

4.4. Met betrekking tot het verzoek om kinderbijslag over het tweede kwartaal 2007 is de Raad van oordeel dat gelet op het totaalbeeld van de juridische, economische en sociale factoren er geen ondersteuning is voor de stelling van appellante dat het middelpunt van haar maatschappelijk leven al op de peildatum van het tweede kwartaal 2007 in Nederland ligt en dat zij dientengevolge heeft voldaan aan de voorwaarden om verzekerd te zijn voor de AKW. De Raad overweegt daartoe als volgt.

4.5. De Svb, zich baserend op verkregen informatie van de Immigratie en Naturalisatie Dienst, gaat er van uit dat appellante in ieder geval vanaf 23 mei 2007 rechtmatig in Nederland verblijft, terwijl in hoger beroep het ontbreken van een juridische binding appellante niet meer wordt tegengeworpen. Nu appellante zich in dit verband beroepen heeft op de richtlijn 2004/38/EG wil de Raad, ter voorlichting van appellante, niet onvermeld laten dat wanneer het gaat om de vraag of er sprake is van ingezetenschap de verblijfsstatus één van de omstandigheden is om zulks te bepalen, terwijl die status op zich zelf niet beslissend is.

4.6. Met betrekking tot de economische binding van appellante met Nederland is de Raad van oordeel dat deze niet aanwezig is. De Raad overweegt daartoe dat appellante geen eigen inkomen genoot, maar afhankelijk was van giften van derden en niet beschikte over zelfstandige woonruimte. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante zich middels een huurcontract verbonden heeft tot het huren van een woonruimte en dat zij staat in geschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie. Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat het huren van een kamer, waarbij de keuken, badkamer en het toilet met andere huurders gedeeld moet worden, niet gelijk gesteld kan worden met het beschikken over zelfstandige woonruimte.

4.7. Wat de sociale binding van appellante met Nederland betreft is de Raad met de rechtbank van oordeel dat die gelet op het korte verblijf van appellante in Nederland op de peildatum in geding als onvoldoende dient te worden betiteld. Het gegeven dat de zoon van appellante hier naar school gaat en de zus van appellante eveneens in [woonplaats] woont kan hieraan niet af doen.

4.8. Gelet op het totaalbeeld van de ter zake doende factoren ziet de Raad geen ondersteuning voor de stelling van appellante dat het middelpunt van haar maatschappelijk leven reeds op de peildatum van het tweede kwartaal 2007 in Nederland ligt en dat zij dientengevolge heeft voldaan aan de voorwaarden om verzekerd te zijn voor de AKW.

4.9. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.

DW