Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3499

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
08-4397 AKW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering kinderbijslag, omdat appellant niet verzekerd is voor de AKW. Er is sprake van een juridische binding van appellant met Nederland, nu appellant beschikt over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Economische binding van appellant met Nederland is zeer zwak. Geen zelfstandige woonruimte in Nederland. Sociale binding met Nederland is zwak.

Geen ondersteuning voor de stelling van appellant dat het middelpunt van zijn maatschappelijk leven op de peildatum in Nederland ligt, zodat niet gesteld kan worden dat appellant ten tijde in geding woonplaats in Nederland heeft. Geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Beroep op artikel 5 van het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko slaagt niet. Bevoegdheid rechtbank Amsterdam. Bevestiging aangevallen uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/4397 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 juni 2008, 06/5204 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 5 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.A. Swildens, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 9 september 2009. Appellant noch zijn gemachtigde is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij besluit van 2 mei 2006 heeft de Svb appellant medegedeeld dat hij met ingang van het vierde kwartaal van 2005 geen recht heeft op kinderbijslag, omdat hij niet meer als verzekerde in de zin van de Algemene Kinderbijslag (AKW) wordt aangemerkt.

1.2. Bij besluit van 17 oktober 2006 heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 mei 2006 ongegrond verklaard. Omdat de Svb van mening was dat gelet op de bekende gegevens al veel eerder een onderzoek naar de woonplaats van appellant had moeten plaatsvinden, heeft de Svb een afbouwregeling getroffen tot het derde kwartaal van 2007.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 oktober 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant op de peildatum van het vierde kwartaal van 2005 geen recht heeft op kinderbijslag, omdat hij niet verzekerd is voor de AKW.

4.2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AKW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van de wet degene die:

a) ingezetene is;

b) geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

4.3. Niet in geschil is dat appellant op de peildatum van het vierde kwartaal van 2005 niet ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting was onderworpen.

4.4. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont. De vraag, waar een persoon woont, wordt voor de toepassing van de AKW, ingevolge artikel 3, eerste lid, van die wet naar de omstandigheden beantwoord. Naar vaste jurisprudentie van de Raad is daarbij in het bijzonder van belang in welke mate er sprake is van een sociale, economische en juridische binding van de betrokken persoon met Nederland. Aangenomen moet worden dat op het moment waarop gezien deze criteria het middelpunt van het maatschappelijk leven geacht kan worden in Nederland te zijn gelegen, de betrokken persoon woonplaats in Nederland heeft.

4.5. De Raad is met de Svb van oordeel dat sprake is van een juridische binding van appellant met Nederland, nu appellant beschikt over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

4.6. De Raad is voorts van oordeel dat de economische binding van appellant met Nederland zeer zwak is. In dit kader is van belang dat appellant een WAO-uitkering ontvangt, en sinds enkele jaren (een al dan niet aaneengesloten periode van) negen maanden per jaar in Marokko verblijft bij zijn echtgenote en vijf kinderen. Niet gesteld kan dan ook worden dat appellant voor zijn inkomen gebonden is aan een verblijf in Nederland. Bovendien is niet gebleken dat appellant beschikt over zelfstandige woonruimte in Nederland. Uit de gedingstukken blijkt immers dat appellant bij verblijf in Nederland met twee anderen gebruik maakt van een woning in onderhuur.

4.7. Wat de sociale binding van appellante met Nederland betreft is de Raad met de rechtbank van oordeel dat die op de peildatum in geding als zwak dient te worden betiteld. Daarbij betrekt de Raad dat weliswaar de broer van appellant in Nederland woont en dat appellant tijdens zijn verblijf in Nederland de moskee en de (tand)arts bezoekt, maar de Raad acht bij de kwalificatie van de sociale binding met Nederland in onderhavig geval met name van belang dat appellant reeds enkele jaren gedurende negen maanden per jaar in Marokko verblijft bij zijn echtgenote en vijf kinderen.

4.8. Gelet op het totaalbeeld van de juridische, economische en sociale factoren ziet de Raad geen ondersteuning voor de stelling van appellant dat het middelpunt van zijn maatschappelijk leven op de peildatum van het vierde kwartaal 2005 in Nederland ligt, zodat niet gesteld kan worden dat appellant ten tijde in geding woonplaats in Nederland heeft. Appellant heeft dan ook niet voldaan aan de voorwaarden om verzekerd te zijn voor de AKW.

4.9. De Raad volgt appellant niet in zijn (subsidiaire) stelling dat sprake was van een dubbele woonplaats. Zoals de Raad immers in 4.8 heeft overwogen kan niet gesteld worden dat appellant ten tijde in geding woonplaats had in Nederland, zodat (ook) geen sprake kan zijn van een dubbele woonplaats.

4.10. Appellant heeft bovendien onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 25 oktober 2005 (LJN AU9914) aangevoerd dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu bij de vraag of sprake is van een ingezetene in de zin van de AKW onderscheid gemaakt wordt tussen Nederlanders en niet-Nederlanders. Deze grief slaagt niet. In het geval van appellant gaat het om de vraag of hij op 1 oktober 2005 ingezetene was, bij de beantwoording waarvan de aard van zijn verblijfstatus één van de omstandigheden is om zulks te bepalen. Beslissend is die status niet. Bovendien heeft appellant een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, waarmee hij – zoals de Raad heeft overwogen onder 4.5 – een sterke juridische binding heeft met Nederland.

4.11. Appellant heeft tevens betoogd dat de beleidsregels van de Svb ten onrechte onderscheid maken tussen personen die werken en personen die een uitkering ingevolge de WAO ontvangen. De Raad wijst er evenwel op dat de wetgever in artikel 6, eerste lid, van de AKW de bewuste keuze heeft gemaakt enerzijds ingezetenen verzekerd te achten, en anderzijds niet-ingezetenen die ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting zijn onderworpen. De Raad ziet niet in dat daarmee sprake is van een niet-gerechtvaardigd onderscheid tussen beide groepen.

4.12. Ten aanzien van het door appellant gedane beroep op artikel 5 van het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (NMV, Trb. 1972, 34, gewijzigd bij verdrag van 30 september 1996, Trb. 1996, 298, bij verdrag van 22 juni 2000, Trb. 2000, 197, en bij verdrag van 24 juni 2002, Trb. 2003, 143) wijst de Raad erop, zoals hij ook reeds heeft gedaan in zijn uitspraak van 9 december 2005 (LJN AU8520), dat artikel 5 van het NMV niets regelt over het (voort)bestaan van verzekering en derhalve voor het onderhavige geding niet van belang is.

4.13. Appellant heeft betoogd dat de rechtbank Amsterdam niet bevoegd was te oordelen in onderhavig geschil. Gelet op de in 4.8 opgenomen conclusie dat niet gesteld kan worden dat appellant ten tijde in geding in Nederland woonde, is de Raad van oordeel dat de rechtbank Amsterdam zich op grond van artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht terecht bevoegd heeft geacht te oordelen over onderhavig geschil.

4.14. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.

DW