Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3490

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
06-1730 WAO + 08-5439 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WAO-uitkering 80-100%. Vaststelling dagloon op € 100,39. Naderhand dagloon gewijzigd in verband met meer inkomsten uit zaterdagtoeslag en zondagtoeslag en vastgesteld op € 111,72. Vernietiging besluit. Geen sprake van structureel overwerk. Gebleken is dat appellant slechts in periode 1 van 2002 heeft overgewerkt. Hiermee voldoet hij niet aan de voorwaarde van het toen van kracht zijnde Bijzonder Dagloonbesluit medeberekening van overwerkverdiensten van 18 augustus 1983 (Stcrt. 1983, 170) dat er gedurende het gehele dan wel nagenoeg het gehele refertejaar minstens één uur per dag overwerk moet zijn verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/1730 WAO

08/5439 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 februari 2006, 05/4062 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 12 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. van Etten, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarbij onder verwijzing naar de reactie van de bezwaararbeidsdeskundige in de rapportage van 26 juni 2006, de Raad wordt verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen, behoudens wat betreft de toepassing van artikel 44 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 1 september 2001.

Bij brief van 20 maart 2008 heeft het Uwv zijn standpunt aangaande de geschiktheid van appellant voor zijn werkzaamheden op 1 september 2001 gewijzigd en deze wijziging neergelegd in een besluit van 19 maart 2008.

Namens appellant is op deze stukken gereageerd, en partijen hebben vervolgens nog over en weer een nadere reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2009. Appellant is in persoon verschenen bijgestaan door mr. Van Etten, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.T.J. van de Pavert, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de sociale werknemersverzekeringswetten, zoals die ten tijde hier van belang luidden.

1.1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten volstaat de Raad hier met de vermelding van het volgende.

1.2. Bij besluit van 12 september 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de primaire besluiten van 28 februari 2005, 1 maart 2005 en 4 maart 2005 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv, voor zover in hoger beroep van belang, gehandhaafd de toepassing van artikel 44 van de WAO zoals neergelegd in de primaire besluiten van 1 maart 2005 en 4 maart 2005.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over de proceskosten en het griffierecht - het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Aan deze uitspraak, waarin appellant als eiser en het Uwv als verweerder zijn aangeduid, ontleent de Raad, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende:

“In beroep heeft eiser aangegeven het niet eens te zijn met de toepassing van artikel 44 van de WAO, als gevolg waarvan het dagloon ten onrechte niet is verhoogd met ingang van 22 februari 2002. Eiser betwist in dat verband dat de belasting in de functie van magazijnmedewerker/ordepicker, welke functie hij sinds juli 1999 vervulde, zijn belastbaarheid overschreed. Door verweerder is eerst hangende de beroepsprocedure gemotiveerd aangegeven dat de door eiser verrichte werkzaamheden sterk rugbelastend waren, zodat, gelet op de eerdere uitval met rugklachten, niet op voorhand kon worden bepaald dat eiser geschikt was voor die functie. Bovendien heeft eiser op 25 januari 2002 deze functie inderdaad wegens rugklachten moeten neerleggen. (...) Nu de benodigde motivering voor toepassing van artikel 44 van de WAO eerst hangende beroep is gegeven, dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met het in de Awb neergelegde motiveringsbeginsel. Gelet op deze nadere motivering ziet de rechtbank evenwel aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde (lees: vernietigde besluit) in stand blijven. Gelet op het vorenstaande bestaat er voor een herziening van het dagloon ingevolge het bepaalde bij artikel 40 van de WAO geen aanleiding, aangezien eiser op het moment dat hij voor de werkzaamheden van magazijnmedewerker/orderpicker uitviel reeds voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt werd beschouwd en er dus geen sprake was van een toeneming van de arbeidsongeschiktheid.”.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten.

4. Het Uwv heeft bij gewijzigd besluit van 19 maart 2008 het bezwaar tegen de besluiten van 28 februari 2005 en 1 maart 2005 opnieuw ongegrond verklaard, maar het bezwaar tegen het besluit van 4 maart 2005 alsnog gegrond geacht. Hieraan ligt ten grondslag dat naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd er een herbeoordeling heeft plaatsgevonden door de bezwaararbeidsdeskundige. In zijn rapport van 26 juni 2006 komt deze bezwaararbeidsdeskundige tot de conclusie dat de werkzaamheden van magazijnmedewerker/orderpicker bij [werkgever] per 1 september 2001 geschikt moeten worden beschouwd voor appellant en dat appellant derhalve per 1 september 2001, in verband met deze werkzaamheden, voor minder dan 15% arbeidsongeschikt moet worden geacht voor de WAO. Het voorgaande houdt tevens in dat appellant in verband met zijn uitval voor dit werk op 25 januari 2002 per 22 februari 2002 recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering van 80-100% met een dagloon van € 100,39. Dit dagloon is gebaseerd op zijn inkomen als magazijnmedewerker/orderpicker gedurende de periode van 25 januari 2001 tot 25 januari 2002. De Raad stelt vast dat, nu daarmee niet geheel is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant, het geding in hoger beroep, gelet op de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zich mede uitstrekt tot dit nieuwe besluit.

4.1. In reactie op dit besluit blijft appellant bij zijn standpunt dat zijn dagloon te laag is vastgesteld en dat ten onrechte geen rekening is gehouden met meer inkomsten uit zaterdag- en zondagtoeslag, een bonus van f 300,- die in periode 12 door de werkgever [werkgever] is uitgekeerd en dat daarbij evenmin rekening is gehouden met het door appellant verrichte overwerk.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak.

5.1. De Raad stelt vast dat met het gewijzigde besluit van 19 maart 2008 het Uwv te kennen heeft gegeven de eerste beslissing op bezwaar van 12 september 2005 niet langer te handhaven. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand zijn gelaten, voor vernietiging in aanmerking komt.

Het besluit van 19 maart 2008.

5.2. Bij brief van 8 september 2008 heeft het Uwv de Raad laten weten dat zij de hoogte van het dagloon van € 100,39 niet langer handhaven. Uit de loonstaten van de werkgever [werkgever] is inderdaad gebleken dat appellant gedurende de periode hier in geding meer inkomsten uit zaterdagtoeslag en zondagtoeslag heeft ontvangen dan in het WAO-dagloonrapport is opgenomen. Correctie levert een dagloon op van € 111,72.

5.3. Hetgeen door het Uwv in 5.2 is overwogen betekent dat het besluit van 19 maart 2008 een deugdelijke motivering ontbeert, zodat dit besluit, onder gegrondverklaring van het beroep daartegen, moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

5.4. Hetgeen verder nog namens appellant is aangevoerd met betrekking tot de berekening van zijn dagloon - op de zitting teruggebracht tot de stelling dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het gegeven dat door de werknemers van [werkgever] structureel overwerk werd en wordt verricht en dat de werkgever [werkgever] ook rekening heeft gehouden met zijn overwerk in de periode dat zijn salaris nog werd doorbetaald tijdens ziekte - is in het geheel niet met objectieve verifieerbare gegevens onderbouwd. Uit de voorhanden zijnde gedingstukken blijkt dat appellant slechts in periode 1 van 2002 heeft overgewerkt. Hiermee voldoet hij niet aan de voorwaarde van het toen van kracht zijnde Bijzonder Dagloonbesluit medeberekening van overwerkverdiensten van 18 augustus 1983 (Stcrt. 1983, 170) dat er gedurende het gehele dan wel nagenoeg het gehele refertejaar minstens één uur per dag overwerk moet zijn verricht.

5.5. De Raad ziet in hetgeen hiervoor onder 5.3 en 5.4 is overwogen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te bepalen dat appellant met ingang van 22 februari 2002 recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% met een dagloon van € 111,72.

6. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 966,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 19 maart 2008 gegrond;

Vernietigt dat besluit, voor zover daarbij het dagloon is vastgesteld op € 100,39;

Bepaalt dat het dagloon wordt vastgesteld op € 111,72;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,-;

Bepaalt dat het Uwv het door appelllant in hoger beroep gestorte griffierecht ten bedrage van € 105,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen- Grootjans en G.W.B. van Westen als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) C. de Blaeij.

RB