Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3488

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
09-5636 WWB-VV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting. Door rechtbank is bestreden besluit vernietigd. Verzoek van het College van B&W om schorsing aangevallen uitspraak wordt afgewezen. Een verzoek om voorlopige voorziening, is niet bedoeld om door middel van zogenoemde "kortsluiting" de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Geen spoedeisend belang. Niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/5636 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van

verzoeker

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 1 september 2009, 09/3285 en 09/3969 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

verzoeker

Datum uitspraak: 10 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontving algemene bijstand naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 8 juli 2009 heeft verzoeker de bijstand van betrokkene met ingang van 19 februari 2009 ingetrokken.

1.3. Bij besluit van 7 augustus 2009 heeft verzoeker het bezwaar tegen het besluit van 8 juli 2009 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hieraan ten grondslag gelegd dat betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden omdat uit onderzoek is gebleken dat betrokkene met zijn zus een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB. Betrokkene had daarom volgens verzoeker niet als zelfstandig subject recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank - met bepalingen over griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 7 augustus 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:4 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en verzoeker opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 8 juli 2009 te nemen. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding tussen betrokkene en zijn zus, en dat verzoeker gelet hierop bevoegd was de bijstand van betrokkene in te trekken op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. Uit het bestreden besluit blijkt volgens de voorzieningenrecher van de rechtbank echter niet dat verzoeker een belangenafweging heeft gemaakt. In dat verband is volgens de voorzieningenrechter van de rechtbank van belang dat niet staande kan worden gehouden dat de gevolgen van het inwonen en het daarbij verrichten van zorgtaken geheel voor rekening van betrokkene dienen te komen. Dit gelet op de door betrokkene aan verzoeker verstrekte informatie over de mogelijkheid om vanaf 1 maart 2009 voor de duur van zes maanden bij zijn zus te mogen inwonen en de bemiddelende rol die verzoeker hierbij heeft vervuld, waardoor deze inwoning mogelijk werd. Het had, volgens de voorzieningenrechter van de rechtbank, op de weg van verzoeker gelegen betrokkene erop te wijzen tijdens zijn verblijf bij zijn zus geen zorgtaken op zich te nemen.

3. Verzoeker heeft verzocht om schorsing van de aangevallen uitspraak. Verzoeker maakt uit de aangevallen uitspraak op dat de voorzieningenrechter van de rechtbank kennelijk vindt dat betrokkene, ondanks dat sprake is van een gezamenlijke huishouding, toch (gedeeltelijk) recht op bijstand heeft in de periode in geding. Verzoeker ziet niet in op welke wijze hij daaraan uitvoering kan geven.

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 2 december 2003, LJN AO0764) de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen, niet is bedoeld om door middel van zogenoemde "kortsluiting" de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

4.3. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen door verzoeker is aangevoerd geen zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Hierbij overweegt de voorzieningenrechter dat hij in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen grond ziet voor het standpunt van verzoeker dat hij geen uitvoering kan geven aan de aangevallen uitspraak. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat, indien verzoeker in afwachting van en onder voorbehoud van de uitkomst van het ingestelde hoger beroep besluit om opnieuw op het bezwaar te beslissen en de Raad, beslissende in de hoofdzaak, tot de slotsom zou komen dat het besluit van 7 augustus 2009 in rechte stand kan houden, dit leidt tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak en tot vernietiging van het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit.

4.4. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak kan doen zonder zitting.

5. Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van T.A. Willems-Dijkstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) T.A. Willems-Dijkstra.

mm