Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3485

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
07-5880 CSV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Correctienota's opgelegd over de premiejaren 2000 tot en met 2004. Verzekeringsplicht. Aan de vereisten -persoonlijke arbeid, gezagsverhouding en loon- om het bestaan van dienstbetrekkingen aan te nemen, is voldaan. Voor de stelling van appellant dat het ging om onderaannemers of opdrachtnemers, is daarentegen nauwelijks enig aanknopingspunt te vinden. Premieschatting voldoende inzichtelijk. Het gaat hier om belastende besluiten, ten aanzien waarvan de bewijslast in beginsel rust op het Uwv.

Wetsverwijzingen
Coördinatiewet Sociale Verzekering
Coördinatiewet Sociale Verzekering 12
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2009/389

Uitspraak

07/5880 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 23 augustus 2007, 05/4417 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 5 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.H. Slieker, advocaat te 's Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2009. Appellant is verschenen met bijstand van mr. D. Tap, advocaat te 's Gravenhage. Het Uwv heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft een bedrijf dat zich bezighoudt met het (doen) verrichten van straatmakerswerkzaamheden. Naar aanleiding van berichten van de regiopolitie en de belastingdienst dat deze onderneming betrokken zou zijn bij bouwfraude en het gebruik van stromannen, is tegen appellant een strafrechtelijk onderzoek gestart. Mede aan de hand van gegevens uit dit onderzoek heeft het Uwv een onderzoek werkgeversfraude ingesteld, waarvan de uitkomsten zijn neergelegd in een rapport werkgeversfraude van 19 november 2004. Op grond van deze onderzoeksresultaten heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van tewerkstelling van niet bij de uitvoeringsinstelling aangemelde personen, dat facturen en mandagen of werklijsten zijn vervalst en (gedeeltelijk) zijn gebruikt ter afdekking van zwart uitbetaalde lonen, alsmede dat gebruik is gemaakt van vervalste identiteitsbewijzen en vervalste VAR verklaringen om de identiteit van de zwartwerkers te verhullen. Gelet hierop heeft het Uwv een belangrijk deel van de administratie van appellant verworpen en de verschuldigde premies op grond van een schatting nader berekend.

1.2. Bij besluiten van 24 november 2004, zoals gewijzigd bij besluiten van 24 februari 2005, heeft het Uwv appellant correctienota's opgelegd over de premiejaren 2000 tot en met 2004.

1.3. Bij besluit van 24 mei 2005 heeft het Uwv, voor zover thans nog van belang, de bezwaren van appellant tegen deze premienota's ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 24 mei 2005 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Bij de beoordeling van het geschil baseert de Raad zich op de bepalingen van de Co├Ârdinatiewet Sociale Verzekering zoals deze luidden ten tijde hier van belang.

4.2. Aangezien appellant in de hoger-beroepsprocedure alsnog de beschikking heeft gekregen over het proces-verbaal van het strafrechtelijk onderzoek, heeft hij zijn daarop betrekking hebbende beroepsgronden ingetrokken.

4.3. Het geschil in hoger beroep spitst zich dan toe op de vraag of de personen van wie appellant zich bij de uitvoering van de werkzaamheden bediende in de eerste plaats [d. W.], [d. K.], [V.] en [O.] tot hem in dienstbetrekking stonden en derhalve als (verzekeringsplichtige) werknemers waren aan te merken, dan wel optraden als zelfstandige onderaannemers of opdrachtnemers.

4.4. Appellant heeft aangevoerd dat het strafrechtelijk onderzoek en het onderzoek van het Uwv, dat tot de conclusie heeft geleid dat het om werknemers ging, berustten op een zogenoemde "tunnelvisie". De Raad kan appellant hierin niet volgen. Dat het onderzoek zich gaandeweg, op grond van de bevindingen, in een bepaalde richting heeft ontwikkeld, is een gebruikelijke gang van zaken en op zichzelf niet voldoende om tot vooringenomenheid te concluderen. Van een eenzijdige focus op appellant is geen sprake geweest. Naast appellant is ook een aanzienlijk aantal andere betrokkenen als verdachte aangemerkt en vervolgd. Verdachten en getuigen zijn uitvoerig gehoord en aan de tegenstrijdigheden tussen hun verklaringen is aandacht besteed. Niet is gebleken dat doelgericht aan ontlastende gegevens of alternatieve scenario's is voorbijgegaan. Ook de door de betrokken opsporingsambtenaren tegenover de rechter-commissaris van de rechtbank afgelegde verklaringen wijzen niet op een zodanig eenzijdig op appellant gerichte benadering dat de uitkomsten van het onderzoek reeds daarom niet aan de besluitvorming ten grondslag hadden mogen worden gelegd.

4.5. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de resultaten van het onderzoek voldoende grondslag boden voor het standpunt van het Uwv dat is voldaan aan de vereisten kort gezegd: persoonlijke arbeid, gezagsverhouding en loon om het bestaan van dienstbetrekkingen aan te nemen. Voor de stelling van appellant dat het ging om onderaannemers of opdrachtnemers, is daarentegen nauwelijks enig aanknopingspunt te vinden. Het enkele feit dat voor de werkzaamheden facturen werden ingediend, is niet voldoende om aan de daarop verrichte betalingen het karakter van loon te ontzeggen. Concrete aanwijzingen dat de genoemde personen ook voor anderen dan appellant werkten, heeft de Raad in de stukken niet aangetroffen. Hetgeen naar voren is gekomen omtrent hun bekwaamheden en beroepservaring maakt een zelfstandig aannemerschap ook weinig voor de hand liggend. Zo was [V.] de voormalige tandarts van appellant.

4.6. Appellant heeft erop gewezen dat twee belangrijke getuigen, de administrateur [P.] en de zoon van [d. W.], bij de rechter-commissaris onder ede zijn teruggekomen van de eerder door hen in het strafrechtelijk onderzoek afgelegde verklaringen. Daarnaast heeft appellant getuigenverklaringen overgelegd waaruit naar voren komt dat [d. W.] en [d. K.] pogingen hebben ondernomen om hun eigen betrokkenheid bij frauduleuze handelingen te maskeren door de schuld daarvan op appellant te (laten) schuiven. Volgens appellant heeft het Uwv daaraan meegewerkt door getuigen onder druk te zetten en/of hen in staat te stellen hun verklaringen op elkaar af te stemmen.

4.6.1. Daaromtrent heeft de rechtbank onder meer overwogen dat uit de latere verklaringen in het bijzonder die van [P.] geen in relevante mate voor appellant gunstiger beeld naar voren komt; het is hooguit een terugkomen van eerdere belastende verklaringen. Appellant heeft, desgevraagd, niet kunnen uitleggen in welk opzicht die verklaring nu werkelijk gunstiger zou zijn; ze biedt geen of nauwelijks ontlastend bewijs, aldus de rechtbank.

4.6.2. De Raad kan deze overwegingen van de rechtbank niet onderschrijven voor zover daarin het uitgangspunt zou moeten worden gelezen dat appellant dient aan te tonen dat de opgelegde correctienota's onjuist zijn. Het gaat hier om belastende besluiten, ten aanzien waarvan de bewijslast in beginsel rust op het Uwv. Indien aan deze besluiten ten grondslag liggende belastende verklaringen op overtuigende wijze worden herroepen, kan dit onder omstandigheden tot de conclusie leiden dat het Uwv niet (langer) aan zijn bewijslast heeft voldaan. Daarvoor is geen noodzakelijk vereiste dat bij de herroeping ook positief ontlastende elementen naar voren komen.

4.6.3. Behoudens deze kanttekening is de Raad evenwel met de rechtbank van oordeel dat, ook indien van de nadere verklaringen van de getuigen wordt uitgegaan waar deze van hun oorspronkelijke verklaringen afwijken, uit het geheel van het bewijsmateriaal nog steeds het beeld oprijst dat appellant bij het (doen) uitvoeren van de werkzaamheden een centrale en leidende rol vervulde, die onmiskenbaar als het uitoefenen van werkgeversgezag is aan te merken. In dit verband zijn de vier onder 4.3 met name genoemde personen als uitvoerders in dienstbetrekking te beschouwen en niet als zelfstandige onderaannemers of opdrachtnemers.

4.7. De stelling van appellant dat de door het Uwv gemaakte premieschatting onvoldoende inzichtelijk is en berust op een onjuiste berekening, kan evenmin slagen. Op de zogenoemde spread sheets (bijlagen D/664 en volgende bij het proces verbaal) heeft het Uwv per afzonderlijk premiejaar aangegeven welk deel van de administratie is aanvaard, welk deel is verworpen en hoe de daaruit voor de premieheffing voortvloeiende consequenties zijn becijferd. Daarmee heeft het Uwv appellant voldoende aanknopingspunten geboden om de berekeningen te controleren en waar nodig te bestrijden. Van de aldus geboden gelegenheid heeft appellant echter geen gebruik gemaakt. Ook nadat hij alsnog de beschikking had verkregen over het volledige proces-verbaal, heeft appellant zijn bedenkingen tegen de aan de schatting ten grondslag gelegde berekeningen niet concreet gemaakt.

4.8. Het hoger beroep treft geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen Grootjans en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) B.E. Giesen.

mm