Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3484

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
07-1374 WAZ
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAZ-uitkering. Voldoende medische grondslag. Ten aanzien van de door appellant genoemde rapportages van Tacke, Haagsma en Fijen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat hieruit geen objectief medische oorzaak, anders dan enige degeneratieve spondylarthrose welke samenhangt met de leeftijd van appellant, valt op te maken die de chronische lichamelijke pijnklachten van appellant verklaart. Geen aanleiding tot het bijstellen van het medisch oordeel. De Raad is van oordeel dat het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien tot het stellen van beperkingen (zoals een urenbeperking) op basis van een chronische aanpassingsstoornis op de datum in geding en kan zich verenigen met de toelichting zoals gegeven door de bezwaarverzekeringsarts in diens rapportages van 20 april 2009 en van 20 augustus 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/1374 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 8 februari 2007 (met herstel- uitspraak van 26 maart 2007), 06/1874 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. M. Alta, advocaat te Assen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2009. De Raad heeft het onderzoek vervolgens heropend.

Op 2 oktober 2009 heeft vervolg-onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellant is verschenen, vergezeld van J.A. Ribbens, medisch adviseur, en dr. J.J. van Egmond, psychiater-neuroloog-psycholoog, beiden in de hoedanigheid van deskundige. Het Uwv was vertegenwoordigd door M. van Leeuwen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in 1982 begonnen als zelfstandig pluimveehouder. Op 1 februari 1999 is hij uitgevallen wegens pijnlijke gewrichten; later zijn daar nek- en rugklachten bijgekomen. Per 31 januari 2000 is hem een uitkering op grond van de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (hierna: WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, toegekend.

1.2. Bij besluit van 12 januari 2006 heeft het Uwv de WAZ-uitkering beëindigd per 1 februari 2006, omdat appellant vanaf die datum niet arbeidsongeschikt wordt geacht in verband met het ontbreken van objectiveerbare gebreken of ziekte.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 27 juli 2006 heeft het Uwv het door appellant ingediende bezwaar tegen het besluit van 12 januari 2006 ongegrond verklaard.

1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 27 juli 2006 ongegrond verklaard. Hierbij heeft zij (onder meer) overwogen dat de chronische pijnklachten van appellant onvoldoende zijn geobjectiveerd met medische gegevens, waardoor niet is voldaan aan de in artikel 2 van de WAZ neergelegde objectiveringseis. Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen valt op te maken dat naar hun mening geen aanleiding bestaat om op die eis, in het kader van de Maoc-richtlijn, een uitzondering te maken. Uit de voorhanden medische stukken blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet van een bij medische deskundigen bestaande éénduidige, consistente en naar behoren gemotiveerde alsook verantwoorde opvatting dat appellant als gevolg van ziekte of gebrek ten tijde in geding niet in staat was het eigen werk als pluimveehouder te verrichten.

2.1. In hoger beroep is ten eerste, evenals in eerste aanleg, aangevoerd dat de chronische lichamelijke pijnklachten van appellant wel degelijk medisch geobjectiveerd zijn blijkens de rapportages van neuroloog T.J. Tacke van 30 september 2004, reumatoloog dr. C.J. Haagsma van 17 februari 2006 en osteopaat M.C. Fijen van 29 november 2005. Voorts zijn nog nadere rapportages ingediend van respectievelijk Haagsma, van 9 maart 2007 en van 14 februari 2008, van dr. A. Schumacher, radioloog, van 31 januari 2008, en van D. Meijer, arts, van 13 februari 2008. De bezwaarverzekeringsarts heeft in deze informatie geen aanleiding gezien tot wijziging van het medisch oordeel.

2.2. Kort voor de zitting van de Raad van 30 januari 2009 is door J.A. Ribbens, medisch adviseur van appellant, gesteld dat de klachten van appellant tevens een psychiatrische oorsprong hebben en dat in verband daarmee een expertise zal worden verricht door psychiater dr. J.J. van Egmond. Op 29 januari 2009 heeft appellant vervolgens een rapportage van Van Egmond ingediend bij de Raad. Van Egmond heeft hierin vastgesteld dat appellant door een obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis in combinatie met de rugklachten ten gevolge van spondylarthrosis last heeft van een chronische aanpassingsstoornis en van een pijnstoornis die gedeeltelijk somatisch en gedeeltelijk psychisch van aard is. Hierdoor is hij niet in staat om zijn eigen werk als pluimveehouder in volle omvang te verrichten. Van Egmond heeft op basis van de anamnese en eigen onderzoeksbevindingen vastgesteld dat appellant in totaal niet verder komt dan 4 uur effectief werken per dag en geadviseerd om duurbelastingonderzoek te laten plaatsvinden voor een exacte inschatting van de urenbeperking. In verband hiermee heeft de Raad het onderzoek heropend om het Uwv in de gelegenheid te stellen te reageren op deze rapportage.

De bezwaarverzekeringsarts heeft hierop gereageerd bij rapportage van 20 april 2009. Hierin is aangegeven dat uit de rapportage van de primaire verzekeringsarts van het onderzoek van appellant op 1 december 2005 niet blijkt van overaanpassing en decompensatie zoals de psychiater deze beschrijft. De bezwaarverzekeringsarts ziet dan ook geen aanleiding om haar medisch oordeel bij te stellen. Ribbens en Van Egmond hebben nog gereageerd op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts bij schrijven van 3 augustus 2009 respectievelijk 29 mei 2009.

3.1. De Raad overweegt het volgende.

3.2. Ten aanzien van de door appellant genoemde rapportages van Tacke, Haagsma en Fijen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat hieruit geen objectief medische oorzaak, anders dan enige degeneratieve spondylarthrose welke samenhangt met de leeftijd van appellant, valt op te maken die de chronische lichamelijke pijnklachten van appellant verklaart. De Raad verwijst naar de overwegingen van de rechtbank terzake en maakt deze tot de zijne. Wat betreft de in hoger beroep ingediende informatie van de artsen Haagsma, Schumacher en Meijer is de Raad van oordeel dat deze geen ander zicht geeft op de medische situatie van appellant op de datum in geding. De Raad volstaat met verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 25 januari 2008 en van 12 november 2008, waarin naar het oordeel van de Raad adequaat is toegelicht waarom de bovengenoemde medische informatie geen aanleiding geeft tot het bijstellen van het medisch oordeel op dit punt.

3.3. Wat betreft de in hoger beroep gestelde psychiatrische oorsprong van de klachten overweegt de Raad het volgende. Ribbens heeft appellant gesproken op 7 en 19 januari 2009 en is, naar aanleiding van die gesprekken en na bestudering van het volledige medische dossier, van oordeel dat sprake is van een chronisch gemaskeerd depressief beeld met obsessief-compulsieve trekken. Door Van Egmond is dit beeld, via de medische expertise op 27 januari 2009, bevestigd en nader omschreven als een chronische aanpassingsstoornis en pijnstoornis, voortvloeiend uit een obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis in combinatie met spondylarthrosis, met bijbehorende GAF (Global Assessment of Functioning)-score van 80. Nu het medisch oordeel van zowel Ribbens als van Van Egmond is gebaseerd op onderzoek van appellant in januari 2009, stelt de Raad allereerst vast dat dit oordeel niet ziet op de medische situatie van appellant op de datum in geding, 1 februari 2006. Voorts is de Raad van oordeel dat met de informatie van Van Egmond onvoldoende is vast komen te staan dat appellant ten gevolge van de chronische aanpassingsstoornis op 1 februari 2006 niet in staat was om zijn werk in volle omvang te verrichten. Hierbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts F. Knol appellant op 1 december 2005 lichamelijk en psychisch heeft onderzocht en geen aanwijzingen heeft gevonden voor het bestaan van een psychiatrische stoornis. Wel heeft hij genoteerd dat sprake is van een fors belaste sociale situatie en dat appellant heeft aangegeven dat hij wat slechter om kan gaan met spanning en stress. Appellant heeft vanwege zijn klachten meer werk uitbesteed en zijn tempo aangepast. Noch bij de verzekeringsarts noch bij de bezwaarverzekeringsarts zijn psychiatrische klachten en/of beperkingen naar voren gekomen, terwijl appellant ook niet onder behandeling is geweest voor dergelijke klachten. De Raad is derhalve van oordeel dat het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien tot het stellen van beperkingen (zoals een urenbeperking) op basis van een chronische aanpassingsstoornis op de datum in geding en kan zich verenigen met de toelichting zoals gegeven door de bezwaarverzekeringsarts in diens rapportages van 20 april 2009 en van 20 augustus 2009.

3.4. Gelet op het bovenstaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak komt dan ook niet voor vernietiging in aanmerking.

4. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK