Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3478

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
08-2304 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening WAO-uitkering. Niet in geschil is dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant vóór 28 januari 2005 was gebaseerd op de mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% en dat appellant destijds geen bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten waarin die vaststelling is neergelegd. Uit artikel 4:6 van de Awb volgt dat degene, die een bestuursorgaan verzoekt van een in rechte onaantastbaar geworden besluiten terug te komen, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moet vermelden die een dergelijk terugkomen kunnen rechtvaardigen. De Raad tot de conclusie dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Dit betekent dat het Uwv het onderhavige verzoek van appellant in redelijkheid met toepassing van artikel 4:6 van de Awb heeft kunnen afwijzen en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2304 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 27 maart 2008, 07/361 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Prins.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij brief van 24 februari 2006 heeft appellant een verzoek ingediend om voor de periode gelegen vóór 28 januari 2005, waarin zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, in aanmerking te komen voor een hogere WAO-uitkering. Daartoe heeft hij gesteld dat de destijds aan deze uitkering ten grondslag liggende medische beoordeling niet juist is geweest, hetgeen kan worden afgeleid uit latere ontwikkelingen van zijn gezondheidstoestand.

1.2. Bij besluit van 15 mei 2006 heeft het Uwv dat verzoek afgewezen. Daarbij is aangegeven dat uit ingesteld onderzoek is gebleken dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn waaruit volgt dat de destijds vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid onjuist zou zijn. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 12 februari 2007 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar, na een heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het hiertegen door appellant ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen relevante nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn aangevoerd.

3. In hoger beroep voert appellant aan dat is aangenomen dat functionele beperkingen die zich bij hem vóór en na 28 januari 2005 voordeden voortkwamen uit hoge bloeddruk en stress, terwijl nadien door het Uwv is aangenomen dat deze in verband staan met enkele kleine herseninfarcten. Deze waren eind 2005 op een CT-scan zichtbaar. Appellant meent dat het hierbij om relevante veranderde omstandigheden gaat.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Niet in geschil is dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant vóór 28 januari 2005 was gebaseerd op de mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% en dat appellant destijds geen bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten waarin die vaststelling is neergelegd. Uit artikel 4:6 van de Awb volgt dat degene, die een bestuursorgaan verzoekt van een in rechte onaantastbaar geworden besluiten terug te komen, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moet vermelden die een dergelijk terugkomen kunnen rechtvaardigen.

4.2. In verband daarmee dient de Raad zich bij de beoordeling van het bestreden besluit in beginsel te beperken tot beantwoording van de vraag of nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn vermeld en zo ja, of het Uwv daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

4.3. In dit geval heeft zowel de stafverzekeringsarts H.R. van der Wiel, als naderhand in de bezwaarfase de bezwaarverzekeringsarts A. Colijn nagegaan of de meest recente medische gegevens nieuwe feiten of omstandigheden bevatten die aanleiding geven om van de eerdere besluitvorming terug te komen. In dat kader heeft Van der Wiel erop gewezen dat al in het rapport van de verzekeringsarts F.H. Pelzers uit april 2002 is vermeld: ‘op de CT waren enkele verspreide infarcten’ en ‘er zijn blijvende neurologische afwijkingen vastgesteld’. Colijn heeft opgemerkt dat de thans door appellant in de bezwaarfase overgelegde medische gegevens uit de periode 2001 tot en met 2003 bij de medische herbeoordeling in 2002 al bekend waren bij het Uwv. Beiden zien daarom geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van nieuwe medische gegevens of veranderde omstandigheden op basis waarvan moet worden teruggekomen van de eerdere besluitvorming.

4.4. De Raad kan zich vinden in de conclusies van de stafverzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. Deze conclusies zijn inzichtelijk gemotiveerd en vinden steun in de stukken. Gelet daarop komt ook de Raad tot de conclusie dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Dit betekent dat het Uwv het onderhavige verzoek van appellant in redelijkheid met toepassing van artikel 4:6 van de Awb heeft kunnen afwijzen en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Riphagen en P.J. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.A. van Amerongen.

IvR